[Deze tekst is gepubliceerd in het tijdschrift Dekanoloog, jaargang 34, nr. 10 (dec. 1997), p. 11-13]

 

Leerlingen zelfstandiger met de IBIS-tests?

 

 

"Decanen zelfstandiger met de IBIS-tests" - dat was de titel van het artikel van Anneke Hesp in de Dekanoloog van augustus 1997, waarin zij de komst van de IBIS aankondigt. Het gaat hier om een nieuwe, geautomatiseerde testbatterij, bestaande uit diverse interesse- en capaciteitentests. Het systeem wordt uitgegeven door Swets Test Services, van oudsher in Nederland de bijna-monopolist op het gebied van de verkoop van testmaterialen. Swets mikt met de IBIS specifiek op de doelgroep schooldecanen. De uitgever biedt een cursus aan ‘van enkele dagdelen’. "Het bijbehorende certificaat garandeert een optimaal gebruik van IBIS in de praktijk."

Het artikel in Dekanoloog en de brochure van Swets Test Services roepen bij mij enkele reacties op waaraan ik hier uiting wil geven.

Mijn eerste reactie was er een van verbazing en betreft de uitgever. Sinds vele jaren heeft Swets met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), van oudsher bijna-monopolist op het gebied van testgebruik, een ‘gentleman’s agreement’. Dit hield in dat Swets uitsluitend tests zou leveren aan psychologen, psychodiagnostisch geschoolde (ortho)pedagogen en beroepsbeoefenaars die onder toezicht van bovengenoemden werkten. Deze beperking is enige jaren geleden versoepeld. Met name interessetests kunnen tegenwoordig vrijelijk worden aangeschaft.

Capaciteiten- en persoonlijkheidstests zijn echter nog steeds aan bovengenoemde beperking onderhevig. Dit impliceert onder meer dat beroepskeuzeadviseurs pas dergelijke tests kunnen aanschaffen als zij een verklaring overleggen dat een psycholoog garant staat voor hun werk.

Naar mijn mening is dit niet terecht. Beroepskeuzeadviseurs zijn vrij grondig geschoold in de psychodiagnostiek en de test vormt een belangrijk instrument voor hun broodwinning. Als voldaan is aan enige aanvullende voorwaarden, zoals uitgewerkt door de Stichting Register Beroepskeuzeadviseurs, kan van beroepskeuzeadviseurs een deskundig en verantwoord testgebruik verwacht worden. Swets heeft echter tot dusver haar beleid niet willen wijzigen, verwijzend naar het NIP.

Wie schetst mijn verbazing nu Swets een testbatterij voor decanen op de markt brengt en "een cursus van enkele dagdelen" voldoende acht om dit systeem verantwoord te gebruiken. Naar mijn mening maakt Swets het beleid om beroepskeuzeadviseurs niet van tests te voorzien, met deze ommezwaai ongeloofwaardig.

Een tweede reactie op het nieuws omtrent de IBIS was er een van bezorgdheid en betreft de leerling.

Testgebruik kan een bescheiden doch nuttige rol spelen bij de (school)loopbaanadvisering. Testgebruik kan echter ook schadelijk zijn en uitgesproken negatieve effecten hebben.

Sinds 1993 verzorg ik cursussen en trainingen op het gebied van de psychodiagnostiek en beoordelingsmethodiek aan volwassen studenten en cursisten. In de eerste les laat ik de deelnemers altijd verhalen vertellen over ervaringen met tests. Er zijn altijd positieve verhalen, waarin testgebruik bijvoorbeeld leidt tot een nieuw zelfinzicht, een juiste beslissing of een gevoel van bevestiging. Er zijn meestal echter ongeveer evenveel negatieve verhalen. Bijv. mensen die zich slecht behandeld of miskend voelen, uitslagen of adviezen krijgen die niet kloppen, of afgesloten worden van doelen waarvoor zij gekozen hadden (en die zij soms later via een omweg alsnog bereiken). Soms kunnen dergelijke negatieve verhalen herleid worden tot de matige kwaliteit van de meeste tests die op de markt zijn. Veel vaker nog gaat het echter om slecht testgebruik, d.w.z. om fouten of tekortkomingen bij de beslissing om in het kader van de keuzebegeleiding te gaan testen, de keuze van af te nemen tests, de introductie ervan bij de cliënt, de keuze van een normgroep en/of de interpretatie, uitleg, bespreking en rapportage van de uitslagen.

Een kleine, overigens waar gebeurde anekdote ter illustratie.

Een eerstejaars student had een capaciteitentest gemaakt maar de uitslag niet goed begrepen. Hij dacht dat hij een IQ van 98 had, terwijl hij in werkelijkheid in het 98-ste percentiel uitgekomen was (hetgeen correspondeert met een IQ van 130). Hij zakte bijna voor het eerste trimester en zei tegen zijn ouders: "ik geloof niet dat ik de universiteit aankan". Ze gingen samen naar de counsellor van de opleiding. Daar kwam de jongen erachter wat nu werkelijk zijn testuitslag was geweest. Hij was, voordat het jaar voorbij was, in staat de kwalificatie 'uitmuntend' te halen. (Combs e.a., 1977, p. 58)

Het relatief simpele aspect van het juist uitleggen van testscores, op zodanige wijze dat de leerling/student/cliënt het goed snapt, kan dus al moeilijk genoeg zijn. En als dit misgaat, kan de uitslag een geheel eigen, soms rampzalig leven gaan leiden bij de betrokken persoon zelf (in de vorm van een beschadigd zelfconcept) of in diens omgeving (in de vorm van een stigma). Met alle gevolgen van dien.

Moeilijker dan het juiste niveau van de uitslag is doorgaans het uitleggen van de inhoud van de uitslag. Ook hier gaat vaak iets mis. Ik ben bijv. wel eens mensen tegengekomen die zeiden dat ze van hun decaan, op grond van een BIT test, te horen hadden gekregen "dat ze niet sociaal of niet technisch waren" of "dat ze geschikt waren voor de agrarische sector". Het toch essentiële verschil tussen willen en kunnen is dan kennelijk niet goed overgekomen.

Het begrip ‘intelligentie’ (ook één van de onderdelen van de IBIS) is ook zo’n begrip waar talloze misverstanden over bestaan. Bijv. dat je IQ net zoiets als je lichaamslengte zou zijn, iets wat exact meetbaar is en over de jaren hetzelfde blijft. Of dat het 100 maal je mentale leeftijd gedeeld door je chronologische leeftijd zou zijn (een heel oude, al heel lang niet meer gehanteerde en toch vaak nog opduikende definitie). Of zelfs dat intelligentie de bepalende factor zou zijn voor het onderwijsniveau dat iemand aan zal kunnen….

Mogelijk het belangrijkste wat vaak misgaat bij de uitleg van en communicatie over testresultaten is dat de waarde van de testuitslagen niet juist wordt ingeschat. In het minst erge geval wordt de betekenis van de test onderschat: de uitslagen worden ‘weggegooid’: "Wat zegt zo’n test nou; niets toch?"

Het gevaarlijkst en kwalijkst zijn echter de vele gevallen waarin de waarde van testuitslagen overschat wordt. Vrijwel alle mensen, en dit geldt nog veel sterker voor adolescenten dan voor volwassenen, zijn onzeker over hoe zij in elkaar zitten. Als er belangrijke en moeilijke keuzes gemaakt moeten worden die veel consequenties hebben voor een toekomst die nog veel onzekerder is dan het heden, ontstaat dikwijls de verleiding om de verantwoordelijkheid uit handen te geven aan een adviseur of zijn/haar instrument. "De test is een wetenschappelijk instrument, de computer maakt geen fouten, de decaan/adviseur heeft al heel vaak moeilijke mensen zoals ik de weg gewezen - laat ik maar om een zo duidelijk mogelijk advies vragen en dit opvolgen." Zo wordt de test een alibi, een ‘rationeel’ argument, dat een leerproces tot zelfstandigheid en eigen keuzes belemmert.

Voor een optimaal gebruik van tests in de (school)loopbaanadvisering dient de decaan/adviseur naar mijn mening over een aantal deskundigheden en vaardigheden te beschikken. Met name:

Hierbij komt nog het ethische aspect. De beroepscodes van beroepskeuzeadviseurs, psychologen en personeelsfunctionarissen kennen uitgebreide voorschriften t.a.v. vrijwilligheid van deelname, geheimhoudingsplicht, verplichtingen t.a.v. rapportage, etc. Decanen beschikken (nog) niet over een dergelijke, formele code.

Last but not least is het houdingsaspect van groot, wellicht alles overkoepelend belang. De leerling moet geaccepteerd en aangemoedigd worden als deskundige en verantwoordelijke op het gebied van eigen persoon, situatie en leven. Tegelijk moeten testgegevens gehanteerd worden op zodanige wijze dat het appel van betrokkene op eenduidige antwoorden wordt weerstaan en hij/zij de betekenis van de testgegevens juist en exact inschat.

Minister Ritzen heeft onlangs veel commentaar gekregen op zijn plan om academici via een spoedcursus van drie maanden inzetbaar te maken in het onderwijs. Zonder de bij decanen aanwezige kennis en vaardigheden te kort te willen doen, lijkt het voldoen aan bovengenoemde eisen door een cursus van enkele dagdelen mij echter minstens even moeilijk.

Ik heb de IBIS nog niet gezien. Zowel in de brochure als in het artikel in de Dekanoloog van augustus zijn gegevens over de psychometrische kwaliteiten van het systeem (betrouwbaarheid, validiteit e.d.) opvallend afwezig. Het feit dat er aparte tests zijn voor verschillende doelgroepen stemt mij niet optimistisch, omdat dit discriminatie tot gevolg kan hebben. Om die reden is deze praktijk, die niet verward moet worden met het zeer goed te rechtvaardigen hanteren van verschillende normen, in een aantal staten van Amerika verboden.

Misschien is de IBIS echter een uitstekend produkt dat een goede aanvulling kan zijn op de hulpmiddelen die voor de decaan beschikbaar zijn. De verworvenheden van de psychometrie worden aldus voor een bredere doelgroep bereikbaar. Wellicht zal de IBIS tevens een bijdrage leveren aan de ontmythologisering van het verschijnsel test.

Als van de gebruiker slechts een cursus van enkele dagdelen wordt vereist om met het systeem aan de slag te gaan, vrees ik echter dat er onvoldoende garanties zijn voor een deskundige en ethisch verantwoorde inzet. Ik zou daarom willen pleiten voor:

Als aan deze voorwaarden wordt voldaan en als de kwaliteit van de testbatterij voldoende is, dan bestaat de kans dat de IBIS een waardevolle bijdrage kan leveren aan het leerproces van de leerling en aan een door haar of hem zelfstandig vormgegeven besluitvorming en (school)loopbaan.

Zolang niet aan de genoemde voorwaarden is voldaan, lijkt mij dat er een te groot risico is dat gebruik van de IBIS niets of schade oplevert.

 

19 oktober 1997

 

Tom Luken

(arbeids- en organisatiepsycholoog, zelfstandig gevestigd te Amsterdam als onderzoeker, ontwikkelaar, trainer en adviseur bij loopbaanvraagstukken)

 

Literatuur: