Informatie en diversiteit bij Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB)

Conclusies project 2.3 van het Plan van Aanpak

Tom Luken en Kara Vloet

 

 

Hoe verloopt de oriëntatie op de wereld van arbeid en beroep van leerlingen in het VO en welke informatiebehoeften hebben zij? - dit is de hoofdvraag die wij hebben geprobeerd te beantwoorden. Speciale aandacht is hierbij besteed aan het diversiteitsapect: de individuele en groepsgebonden (met sekse en culturele achtergrond samenhangende) verschillen.

De onderzoeksgegevens zijn verzameld door middel van literatuuronderzoek en semi-gestructureerde interviews met experts.

Uit het onderzoeksrapport van 181 bladzijden kiezen wij hier de meest saillante conclusies. Het eerste onderwerp betreft de vraag hoe leerlingen zich oriënteren en kiezen en welke rol begeleiding en informatie daarbij spelen.

  1. De doelen van de keuzebegeleiding worden slechts zeer gedeeltelijk bereikt. Eén op de drie leerlingen kiest verkeerd. Minder dan één op de tien zegt te hebben geleerd hoe te kiezen. Uitval uit het onderwijs en onnodige studievertraging hebben een schrikbarende omvang en kunnen voor een groot deel tot verkeerd kiezen, c.q. verkeerde keuzen worden herleid.
  2. De decaan is een belangrijke en gewaardeerde informatiebron, maar er is veel minder contact dan de leerling zou willen en de verkregen informatie en begeleiding laten bij veel leerlingen het probleem onopgelost.
  3. De rollen van mentor, vakdocent en externe adviseur zijn nog weinig uitgekristalliseerd bij gebrek aan een duidelijk en realistisch beleid op macro- en mesoniveau.
  4. De oriëntatie- en keuzeprocessen van de leerling en de begeleiding daarbij moeten gezien worden tegen de achtergrond van de ontwikkelingsfase van de puberteit en adolescentie. Een overheersend motief in deze fase is: geaccepteerd worden door leeftijdgenoten. Jongeren gaan bij de informatieopname dikwijls sterk selectief en vervormend te werk.
  5. Jongeren tussen 12 en 18 beschikken in de regel nog niet over een toereikend ontwikkelingsniveau om op basis van een overzicht over zichzelf, maatschappij en toekomst een loopbaanplan uit te stippelen waarlangs zij zich zelf kunnen sturen.
  6. Toch dwingt het Nederlandse onderwijssysteem de leerlingen ingewikkelde keuzen te maken met verstrekkende gevolgen voor de loopbaan. Pogingen om deze keuzen te vereenvoudigen en/of later te doen plaatsvinden (basisvorming, profielen in de tweede fase) zijn tot op heden niet gelukt.
  7. Fysiek en materieel gaat het goed met de jeugd. Met het grootste deel gaat het ook mentaal goed. Een grote minderheid voelt zich echter slecht en heeft problemen. Het uitoefenen van te grote druk op leerlingen in het kader van de te maken keuzen en te leren vaardigheden kan ongewenste effecten hebben. Eén mogelijk gevolg kan zijn het vastklampen aan voorbarige 'keuzen'. Als jongeren constateren dat zij niet kunnen voldoen aan de verwachtingen van hun opvoeders en leraren, kunnen bovendien motivatie- en gedragsproblemen het gevolg zijn.

Conclusies m.b.t. diversiteit

  1. Pogingen om van oudsher bestaande, aan sekse en culturele identiteit gebonden keuze- en loopbaanpatronen van meisjes en jongens en van allochtonen te doorbreken zijn slechts gedeeltelijk gelukt. Allochtonen behalen globaal lagere opleidingsniveaus dan autochtonen. Meisjes hebben qua algemeen niveau hun onderwijsachterstand ingehaald, maar kiezen nog steeds vaak vakkenpakketten en richtingen die minder kansrijke perspectieven bieden. Met betrekking tot de invoering van de profielen in de tweede fase valt te verwachten dat sekseverschillen onverminderd zullen blijven voortbestaan.
  2. In de loopbaangerichte keuzen van meisjes, jongens en allochtonen is sprake van een zelfselectieproces. Via de socialisatie en via subjectieve informatieverwerking en -opslag ontwikkelen leerlingen een (zelf)beeld over wat geschikt voor hen is. Daarbij zijn de succesverwachting en de subjectieve betekenis (waardering) met betrekking tot vakken, opleidingen, beroepen of zorgtaken de belangrijkste determinanten. Belangrijk is de beeldvorming over eigen handelingsmogelijkheden: is er sprake van een interne of externe oriëntatie. Het gaat hier om de invloed die de leerling aan zichzelf toeschrijft bij het maken van keuzen en het behalen van succes in onderwijs, oftewel de mate van zelfbepaling, zelfsturing in de loopbaan. Meisjes en allochtone leerlingen hebben over het algemeen een lagere mate van zelfbepaling.
  3. Docenten en decanen maken nu nog vaak ‘ongezien’ onderscheid naar sekse en culturele achtergrond van de leerling. Zij gaan onbedoeld uit van veronderstelde groepskenmerken (capaciteiten, eigenschappen) en stereotiepe beelden bij meisjes en allochtone leerlingen in plaats van individuele kwaliteiten van een leerling.
  4. Leerlingen gaan bij hun loopbaanoriëntatie nog vaak uit van stereotiepe beelden en vertekende informatie over zichzelf (capaciteiten, eigenschappen) én over de wereld van arbeid en beroep. De sekse-identiteit die leerlingen in de interactie in de klas actief vormgeven, kan bijdragen aan stereotypering en uitsluiting van bepaalde beroepssferen in het keuzeproces.
  5. Het onderwijs oefent ook meer direct invloed uit op de loopbaangerichte keuzen van leerlingen via informatieprocessen. Er is sprake van een impliciet (onbedoeld) institutioneel selectieproces in het onderwijs dat tot uiting komt in de cultuur van het onderwijs, in het curriculum, in het dagelijks leven in de klas en in opvattingen en gedrag van onder-wijsgevenden. In die zin spelen onbedoelde boodschappen een belangrijke rol.
  6. Bij het geven van informatie bij LOB hoeft men niet te differentiëren naar sekse en culturele achtergrond van de leerling; wel naar niveau en individuele verschillen van de leerling (in aanleg, capaciteiten, eigenschappen, interessen, (identiteits)ontwikkeling, leerstijl, zelfopvattingen, statusaspiraties, bereidheid tot onderwijsinvestering etc.).
  7. Bij LOB dienen begeleiders wel rekening te houden met eventuele sekseverschillen en culturele verschillen en stereotiepe beeldvorming die bij leerlingen mogelijk een rol spelen in het oriëntatieproces. LOB dient de onbedoelde zelfselectie die leerlingen in hun keuzeproces toepassen, tegen te gaan. In (persoonlijk) contact tussen loopbaanbegeleider en leerling zou vertekening en stereotypering in informatie ontmaskerd en gecorrigeerd moeten worden. Er moet sprake zijn van veiligheid waarin de leerling ‘vrij’ over de arbeidsidentiteit en implicaties voor de loopbaan kan spreken; en niet ‘als meisje’ of ‘als jongen’ wordt aangesproken door zijn of haar klasgenoten. Groepsprocessen mogen met andere woorden geen storende rol spelen.

Conclusies over de informatiebehoeften gezien vanuit de leerling zelf

  1. Het onderzoek rond de vragen en informatiebehoeften van jongeren m.b.t. hun (school)loopbaan levert nog weinig definitieve antwoorden op over hun wensen t.a.v. de inhoud van de informatie en t.a.v. zender, kanaal en vorm. Deels kan dit verklaard worden uit het feit dat het tot nu toe verrichte onderzoek doorgaans vertrok vanuit het ‘rationele actor model’: dit model veronderstelde dat leerlingen rationeel en bewust kiezen en daarom (bewuste) informatiebehoeften hebben. Dit model is verouderd.
  2. De meeste leerlingen hebben uit zichzelf weinig vragen/informatiebehoeften m.b.t. hun (school)loopbaan en deze ontstaan pas vlak voor het moment dat zij een keuze moeten gaan maken. De vragen van de leerlingen kunnen dan ook niet zonder meer als uitgangspunt voor de LOB fungeren.
  3. Eén mogelijke reden voor de afwezigheid van vragen/informatiebehoeften is dat voor de leerlingen de toekomst nog geen deel uitmaakt van het heden: de toekomst ‘leeft’ nog niet voor hen. Voor een deel van de leerlingen lijkt een andere oorzaak aanwezig: dit deel klampt zich vast aan voorbarige 'keuzen': zij zijn 'verliefd' op een beroep en sluiten zich af voor informatie over de nadelen ervan of over alternatieven.
  4. Schriftelijke informatievoorziening en keuzebegeleidingslessen hebben bij de in conclusie 3 besproken leerlingen weinig effect. Zij moeten met extrinsieke middelen (kleur, beweging, spel, opdrachten, identificatiemogelijkheden) nieuwsgierig gemaakt worden naar de toekomst en 'verleid' worden om op het gebied van de (school)loopbaan te gaan exploreren. Makkelijk is dit niet! De resultaten van pogingen van volwassenen om in massamedia de taal van jongeren te spreken en hun belevingswereld te betreden en/of te beïnvloeden, zijn doorgaans gering en/of onvoorspelbaar.
  5. Voor leerlingen die zelf vragen hebben (dit zijn dikwijls leerlingen in een wat latere fase, die actief zoeken of een tentatieve keuze gemaakt hebben), bestaat dankzij een aantal nieuwe, kwalitatief goede produkten, een redelijk functionerende informatievoorziening. Ook schriftelijke informatie werkt in deze fase. De leerlingen kunnen echter niet alle antwoorden vinden. Welke vragen onbeantwoord blijven is onbekend.

Conclusies m.b.t. de informatiebehoeften die voortvloeien uit het LOB model dat in het Plan van Aanpak wordt gehanteerd (zie Den Broeder en Meijers, 1998)

  1. Informatievoorziening kan slechts een beperkte bijdrage leveren aan de doelen van de LOB. Meer centraal staat het tot stand brengen van een krachtige leeromgeving en het op gang brengen en houden van een leerproces.
  2. De LOB benadering impliceert in eerste instantie vooral een intern proces: verwerking van ervaringen uit het verleden, vinden van patronen en een thema.
  3. In tweede instantie impliceert de LOB benadering dat de leerling behoefte heeft aan informatie waarmee hij/zij zicht kan krijgen op:

Conclusies m.b.t. de haalbaarheid van het LOB model

  1. De doelen van LOB gaan nog aanzienlijk verder dan die van de keuzebegeleiding:
  1. Het LOB model is een normatief model dat niet vertrekt vanuit wat bekend is over de ontwikkeling van jongeren maar vanuit wat de (post)moderne samenleving van haar deelnemers eist. Het is nog maar de vraag in hoeverre leerlingen aan deze eisen kunnen (leren) voldoen. De functionele architectuur van het brein van de leerlingen is in hoofdzaak wel klaar, maar er zijn aanwijzingen voor dat het juiste ‘bewustzijnsniveau’ of persoonlijke ontwikkelingsniveau nog ontbreekt. Wat de jongere waarschijnlijk vooral mist is een autonoom doch niet-egocentrisch zelf en een ontwikkeld tijdsperspectief.
  2. Niet alleen de leerling staat nog vrij ver af van de doelen van LOB, maar ook op het punt van het overheidsbeleid, de schoolorganisatie, de houding en vaardigheden van de betrokken decanen, mentoren en vakdocenten en de informatievoorziening valt nog veel werk te verzetten.

Op alle fronten is dus nog veel werk aan de winkel. In de aanbevelingen bij het onderzoeksrapport wordt een aantal prioriteiten aangegeven. De auteurs zijn er van overtuigd dat de te verrichten inspanningen de moeite waard zijn. Op het gebied van het terugdringen van verkeerd kiezen, voortijdige uitval en onbevredigende loopbanen is veel 'winst' te behalen!

 

Kara Vloet is werkzaam bij het Centrum Arbeid en Organisatie (Fontys Hogescholen) te Tilburg. Tom Luken is zelfstandig gevestigd te Amsterdam.

 

 

Literatuur

Broeder S. den, en Meijers, F. Voor nu en later. Theoretische uitgangspunten voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding in het voortgezet onderwijs. Begrippenkader LOB. Leeuwarden/Rotterdam, LDC, 1998.

Luken, T.P. en Vloet, C.M.M. Informatie en diversiteit bij Loopbaanoriëntatie en -begeleiding. Leeuwarden/Rotterdam, LDC, 1998

Beide rapporten zijn verkrijgbaar bij het planmanagement PVA-LOB (010-277 06 01).