[Deze tekst is oorspronkelijk verschenen in het tijdschrift Loopbaan, jrg. 1, nr. 1 (april 1995), p. 3-7]

Tom Luken

 

Beroepskeuzerijpheid en actorkwalificaties

Ontwikkeling in de loopbaan

 

 

Inleiding

In 1993 publiceerde het Landelijk Dienstverlenend Centrum voor Studie- en beroepskeuzevoorlichting (LDC) de beleidsnota "Het AOB in de Informatiemaatschappij: een beleidsvisie" (Janssen, Meijers, Spijkerman en Wijers, 1993). De betekenis van deze nota reikt aanzienlijk verder dan de wereld van de Adviesbureaus voor Opleiding en Beroep (AOB). Het gaat namelijk om een visie op mens, arbeid en samenleving, die van belang is voor alle personen en instanties die met loopbanen en de sturing daarvan te maken hebben.

De LDC-nota vertrekt vanuit een grondige analyse van de ontwikkelingen in de samenleving. De culturele context wordt steeds pluriformer, de socialiserende krachten zijn niet langer eenduidig. Ten gevolge van deze ontwikkelingen wordt het voor het individu steeds moeilijker om een eigen identiteit te vormen.

Samenhangend hiermee wordt het voor het individu tevens moeilijker om een richting in de loopbaan te bepalen. De beroepenstructuur vervaagt, arbeid wordt onzichtbaar, beroepsbeelden bieden niet langer een reëel zicht op arbeidsmogelijkheden en verliezen aldus hun functie als richt- of oriëntatiepunt.

Tegelijkertijd wordt het steeds meer noodzakelijk dat mensen greep krijgen op hun eigen loopbaan, "subject worden" in de eigen arbeidsallocatie. De samenleving, school en arbeidsorganisatie kunnen de persoon niet meer sturen, zij moet zichzelf sturen. De vermogens die nodig zijn om dit te kunnen, noemen de auteurs "actorkwalificaties". Beschreven wordt wat het individu moet doen om actorkwalificaties te ontwikkelen.

Een conclusie van de nota is dat hier de toekomstige marktvraag ligt voor de Adviesbureaus voor Opleiding en Beroep. De auteurs geven tot slot aan wat de AOB's moeten doen om goed op deze marktvraag in te spelen.

De beroepskeuzepsycholoog Helbing (1994a) heeft kritiek geuit op het begrip actorkwalificaties. Hij stelt dat het om dezelfde dingen gaat als bij het veel oudere begrip "beroepskeuzerijpheid". Hij vindt dat door het gebruik van een ander etiket de suggestie wordt gewekt dat er sprake is van een nieuwe gedachtengang, terwijl die er niet is. Bovendien stelt hij dat het begrip actor verwarrend is. Actorkwalificaties vindt hij "idiosyncratisch taalgebruik".

Na enkele reactie over en weer (Luken, 1994; Helbing 1994b) heeft dit artikel tot doel de begrippen beroepskeuzerijpheid en actorkwalificaties eens goed naast elkaar te zetten.

 

Beroepskeuzerijpheid

Het begrip beroepskeuzerijpheid ("vocational maturity") is in 1955 geïntroduceerd door Super (zie Westbrook, 1983). Hij definieerde het als "the place reached on the continuum of vocational development from exploration to decline" (o.c. p. 264). Super meende dat een beroepskeuzerijpheidsquotiënt ("Vocational Maturity Quotient") ontwikkeld zou kunnen worden, analoog aan het toenmalige IQ-begrip. Het VMQ zou aldus laten zien "whether or not the vocational development of an individual is appropriate for his age and how far below or beyond his chronological age his vocational development is" (o.c. p. 264).

Super onderscheidde de volgende dimensies van het begrip (Wiegersma, 1967, p. 208):

"1. Een toenemende mate van gerichtheid op het beroepskeuzeprobleem.

2. Beschikking over een toenemende hoeveelheid informatie en in samenhang daarmee een meer omvattende en meer gedetailleerde toekomstplanning.

3. Toenemende onderlinge samenhang van de beroepswensen.

4. Het kristalliseren van eigenschappen die relevant zijn voor de geprefereerde beroepen.

5. Toenemende rationaliteit van de voorkeur."

Sinds 1955 is er in een aantal landen veel onderzoek rond het begrip beroepskeuzerijpheid verricht. In de volgende paragraaf zal iets worden verteld over de resultaten hiervan.

 

 

Bezwaren tegen "beroepskeuzerijpheid"

In een vorige bijdrage (Luken, 1994) heb ik enige bezwaren genoemd tegen het begrip beroepskeuzerijpheid. Hiertoe deelde ik het op in de drie elementen:

beroep (beroepen fungeren geleidelijk minder goed als afbakeningen en oriëntatiemogelijkheden in de wereld van het werk)

keuze (dit begrip wekt de indruk van een éénmalig gebeuren, de keuze van een beroep waarin men een leven lang kan werken)

rijpheid (dit suggereert een natuurlijk, biologisch proces, dat min of meer vanzelf gaat).

Helbing (1994b) verwijt mij dat ik mij bij mijn kritiek alleen maar bezig heb gehouden met de Nederlandse betekenis van de woorden beroep, keuze en rijpheid en niet met de internationale wetenschappelijke theorie achter het begrip. Hij stelt daarbij dat "beroepskeuzerijpheid" geen ideale vertaling is van "career maturity", "readiness for vocational decision making", "Berufswahlreife", "maturité vocationelle" etc. Afgezien van "career maturity", dat overigens pas in 1973 en alleen in het Engelse taalgebied gebruikt ging worden voor "vocational maturity" (Westbrook, 1983), lijkt mij echter niet dat van een ongelukkige vertaling gesproken kan worden.

Wel is het waar dat ik in mijn bijdrage niet was ingegaan op de internationale wetenschappelijke theorie achter het begrip. Dat wil ik hier graag een beetje goed maken. Daarna zal ik ook nog een meer praktisch bezwaar noemen. Ik begin echter met een gevoelsmatig bezwaar.

Ik herinner me dat ik, toen ik voor het eerst van het begrip beroepskeuzerijpheid hoorde (waarschijnlijk in een college van Helbing), direct enige weerstand voelde. Misschien kwam dat omdat ik moest erkennen, dat ik zelf, als ik de verschillende dimensies van het begrip langsliep, op een aantal punten niet zo beroepskeuzerijp was. Ik constateerde bijvoorbeeld bij mijzelf weinig toenemende samenhang in mijn beroepswensen en weinig uitkristallisatie van eigenschappen. Misschien verzette ik me tegen het idee dat je pas rijp bent als je een beroep wilt kiezen. Ik kende toen mensen die me "rijp" voorkwamen, die er niet voor kozen om zich door middel van de keuze van een ordentelijk beroep aan te passen aan de burgermaatschappij. Het begrip was voor mij geassocieerd met kiezen voor "huisje, boompje, beestje", met de "standaardbiografie". Waarom zou je mensen die daar niet voor kozen, als onrijp moeten beschouwen?

Het gevoelsmatige bezwaar van toen heeft inmiddels enige wetenschappelijke steun gekregen. Zo heeft Meijers (bijv. 1993) laten zien dat de standaard-biografie door een aantal factoren (massaonderwijs, institutionalisering van de jeugdstatus en jeugdwerkloosheid) steeds zwaarder onder druk komt te staan: er is steeds minder sprake van een in brede kring gedeelde opvatting over hoe de levensloop er uit moet zien. Ook Ter Steege e.a. (1994) bespreken "de ondergang van de standaardbiografie". Zij stellen dat de standaardbiografie uitgaat van een passief mensbeeld, een etnocentrisch en normatief karakter heeft en onder meer leeftijdsdiscriminatie in de hand werkt. Welvaart, emancipatie en individualisering maakten een einde aan de vaste patronen volgens welke levens verliepen.

Het begrip "beroepskeuzerijpheid" is, zoals Helbing ook vaststelt, nauw verbonden met de ontwikkelingsgedachte. Tot voor kort was het een algemeen geaccepteerd idee dat mensen zich in een aantal fasen ontwikkelen (vooruitgaan) naar een omschreven einddoel (waarna eventueel een neergang volgt). Zie het woord "toenemend" dat steeds terugkomt in Supers dimensies van beroepskeuzerijpheid.

Tegenwoordig wordt dit idee echter regelmatig ter discussie gesteld.

Gardner (1991) bespreekt bijvoorbeeld het fenomeen van de zogenaamde U-vormige ontwikkeling. Men leert niet alleen, maar men verleert ook, bijv. door de invloed van de school. Het kan hier gaan om voor de loopbaanontwikkeling belangrijke vaardigheden, die men later soms met veel moeite weer opnieuw moet leren, bijvoorbeeld spontaniteit of creativiteit. Ook kan gedacht worden aan het gigantische leervermogen van peuters en kleuters (bijvoorbeeld op het gebied van de motoriek en taalverwerving), welk leervermogen geleidelijk verloren raakt.

Breeuwsma (1993, p. 59 e.v.) stelt dat door verschillende auteurs "het eindpuntdenken ontmaskerd is als een restant van het achttiende- en negentiende-eeuwse vooruitgangsdenken." Wie gelooft er in deze fase van de twintigste eeuw nog onbekommerd in vooruitgang? "Developmental psychology is built on foundations which are rotten." Hiertegenover stelt Breeuwsma, in navolging van Gergen, het concept "aleatoire ontwikkeling". "Hierin staat de gedachte centraal dat er slechts weinig in de ontwikkeling is vastgelegd en voorgeprogrammeerd. De menselijke ontwikkeling wordt volgens deze optiek bepaald door toevallige, tijd- en contextafhankelijke factoren, waarin richting en eindpunt van de ontwikkeling niet vastliggen, maar een grote mate van onvoorspelbaarheid laten zien. Tevens wordt ontwikkeling niet beschouwd als iets dat zich aan het individu voltrekt, maar als een proces waarop het individu zelf een belangrijke sturende invloed heeft... Het is in belangrijke mate het individu zelf dat het onvoorspelbare, het onverwachte tot een coherent geheel kan maken.

Deze gedachten over ontwikkeling sluiten beter aan bij de analyse van de LDC-nota dan het vooruitgangsdenken. De turbulentie van de invloeden op het individu vanuit het maatschappelijke krachtenveld wordt in de nota beschreven, alsmede het belang van zelf sturen. In dit verband kan ook opgemerkt worden dat de nota stelt, dat het verwerven van actorkwalificaties in beginsel "kinderlijk eenvoudig" is. "Wij dreigen wel eens te vergeten hoe creatief, flexibel en avontuurlijk (stressbestendig) wij als kinderen waren." (o.c. p. 10)

Wanneer de ontwikkelingspsychologische basis van het begrip beroepskeuzerijpheid "rot" is, zoals Breeuwsma stelt, moet dat dan niet zichtbaar zijn in de resultaten van de gigantische wetenschappelijke onderzoeksinspanningen sinds 1955?

Naar mijn idee is dat inderdaad zichtbaar. Men heeft sinds 1955 geprobeerd beroepskeuzerijpheid op uiteenlopende manieren operationeel te definiëren. Tot op heden is er echter zeer weinig consensus bereikt over de vraag in hoeveel verschillende variabelen het begrip het best kan worden opgedeeld en hoe deze samenhangen. Er zijn in de loop van de tijd veel moeizame pogingen gedaan om de verschillende facetten van het begrip meetbaar te maken. In Nederland o.a. door Helbing en Koolen.

In de Verenigde Staten hebben de inspanningen in 1983 geleid tot de ontwikkeling van zestien serieuze instrumenten om te kunnen meten hoe beroepskeuzerijp jongeren zijn. Slechts één hiervan (het CEEB Career Assessment Program) heeft echter een betrouwbaarheid groter dan .90. Bij twaalf van de zestien is de betrouwbaarheid volgens de gangbare normen onvoldoende (<.80). Westbrook (1983, p. 281) concludeert dat de onderzoekers nog niet aan validiteitsonderzoek hoeven te beginnen, zolang het met de betrouwbaarheid zo droevig gesteld is. In 1980 had hij overigens al geconstateerd: "career maturity is an endangered species", een bedreigde diersoort (o.c. p. 299). Ook Spijkerman (1992, p. 5) stelt vast, dat het begrip beroepskeuzerijpheid in de moderne theorievorming geen aandacht meer krijgt...

Tot slot een meer praktisch bezwaar. Meijers (1994) constateert op basis van een onderzoek over de werkwijze en rolopvatting van de beroepskeuzeadviseur, dat het begrip in de praktijk vaak op een verkeerde manier gehanteerd wordt. Het lijkt erop dat beroepskeuzeadviseurs cliënten die "niet beroepskeuzerijp zijn" niet willen of kunnen helpen. Geholpen worden de cliënten die in wezen zichzelf kunnen helpen, namelijk de beroepskeuzerijpen. Als de hulp faalt heeft de beroepskeuzeadviseur een excuus bij de hand: de cliënt was nog niet beroepskeuzerijp. Daarnaast zegt Meijers: "...het concept zal niet analytisch maar normerend gebruikt worden. Het gevolg is dat de waarden en normen van de blanke middenklasse op een voor alle betrokkenen onzichtbare wijze de feitelijke dienstverlening domineren, terwijl toch in toenemende mate behoefte is aan een dienstverlening die zich baseert op het serieus nemen van de waarden en normen van groepen in achterstandssituaties." (o.c. p. 22)

Ik heb sterk de indruk dat de precaire situatie waarin het beroepskeuzewerk zich momenteel bevindt voor een deel voortkomt uit het vasthouden aan verouderde werkwijzen en begrippen.

Biedt het begrip actorkwalificaties een alternatief?

 

Actorkwalificaties

Wat wordt verstaan onder actorkwalificaties? Wat is een actor?

Een actor is volgens de LDC-nota in dit verband iemand die greep heeft op zijn eigen loopbaan. Om dit te kunnen moet het individu bepaalde kwalificaties ontwikkelen. Hij/zij moet leren (a) een eigen identiteit te vormen, (b) richting te bepalen en (c) een loopbaan te plannen en daarop te sturen (Janssen e.a. 1993, p. 7).

Een en ander betekent dat hij moet leren leren. "Het gaat niet om de vis maar om het leren vissen."

Een belangrijk aspect van het begrip is dat een actor actief participeert in de (sociale) constructie van de werkelijkheid: het individu moet op haar eigen niveau en manier meedoen aan de definiëring van problemen en oplossingen. Dus: niet alleen kiezen uit mogelijkheden die "klaar liggen" in de omgeving, maar ook actief invloed uitoefenen op die omgeving. Zo wordt men "subject" in de eigen arbeidsallocatie.

Op bladzijde 10 van de LDC-nota worden enkele meer concrete aspecten van actorkwalificaties genoemd. Behalve leervermogen staan ook vaardigheden centraal die Gardner (1985) de "persoonlijke intelligenties" noemde: mensenkennis, communicatief vermogen, tegenstellingen in het zelf overbruggen... Daarnaast is onder meer kennis van de wereld nodig, en meer nog het vermogen om die wereld te verkennen en te leren begrijpen.

 

Bezwaren tegen "actorkwalificaties"

Helbing vindt actorkwalificaties een idiosyncratisch of apart en nietszeggend begrip. Ik geef graag toe dat ik het ook geen mooie term vind. Mijn bijdragen in de discussie bedoelen dan ook geen pleidooi voor de term "actorkwalificaties" te zijn, maar voor de achterliggende gedachtengang.

Met Helbings argumenten tegen de term ben ik het ten dele eens. De aanduiding idiosyncratisch vind ik wat overdreven, maar het is waar dat men (nog?) niet van een gangbare, aanvaarde term kan spreken. Dat de term "actorkwalificaties" nietszeggend is, vind ik ook wat sterk uitgedrukt. Het zegt m.i. al meer dan, om maar eens een ander voorbeeld te noemen, Regionaal Diensten Centrum.

Actorkwalificaties wil zeggen: de kwalificaties van een actor hebben. Onder actoren werden tot dusver vaak (verzamelingen van) maatschappelijke organisaties verstaan. Volgens de LDC-nota moeten personen dus leren wat organisaties kunnen, namelijk een beleid voeren en invloed uitoefenen in het maatschappelijke krachtenveld.

Overigens kom ik hier op een van mijn eigen bezwaren tegen de term "actorkwalificaties". Personen hebben ook iets wat (verzamelingen van) organisaties niet of weinig hebben, namelijk (zelf)bewustzijn en een geweten. Misschien is dat juist wat mensen nodig hebben om in de huidige en toekomstige samenleving goed te kunnen functioneren.

Hoe dan ook, tegen een betere term zal weinig bezwaar zijn. Voor "loopbaanvaardigheden", wat Helbing voorstelt, valt wel iets te zeggen, hoewel het volgens hem door sommigen met "ellebogenwerk" wordt geassocieerd. In de LDC nota wordt ook het begrip "loopbaancompetenties" gehanteerd. Deze term wordt echter gereserveerd voor een deel van de actorkwalificaties, namelijk de technisch-instrumentele en sociaal-normatieve kwalificaties, die nodig zijn om een arbeidsplaats te veroveren en te behouden. De term "loopbaankeuze-competenties", die Helbings voorkeur heeft, heeft als nadeel dat het kiezen centraal wordt gesteld. De LDC-nota probeerde juist het accent te verleggen van kiezen naar leren en sturen.

De ideale term lijkt nog niet gevonden. Wat denken de auteurs van de LDC-nota er van?

 

Verschillen tussen beroepskeuzerijpheid en actorkwalificaties

BEROEPSKEUZERIJPHEID

ACTORKWALIFICATIES

Het zelfconcept van het individu wordt helder; het kristalliseert zich uit in de vorm van consistente ideeën over eigenschappen.

Het individu wordt zich bewust van en accepteert het bestaan van deelidentiteiten; brengt hierin eenheid aan.

Men ontwikkelt een "narratief" zelf, een longitudinale versie van het zelf.

Kennis van beroepen in het algemeen en op en rond het gebied van de beroepswens in het bijzonder.

Naast kennis ook exploratief vermogen en inzicht in de betekenis en ontwikkeling van arbeid.

(Leren) kiezen.

(Leren) leren.

Plannen.

Plannen, uitvoeren en bijsturen.

 

Actief participeren in de (sociale) constructie van de werkelijkheid.

(Zelf)bewustzijn

Het nieuwe van de gedachtengang rond de actorkwalificaties heeft naar mijn mening vooral te maken met (zelf)bewustzijn. In James' termen (zie bijvoorbeeld Hermans, 1993): het "I" dat actief kennis verwerft over het "Me". Of zoals Van der Werff (1993) het zegt: het "zelf-reflexieve apparaat" dat de eigen persoon kent en kiest. Of zoals Brans (1994) het noemt in navolging van Peterson, Sampson en Reardon: de metacognities, het denken over het denken, de top van de piramide die verder gevormd wordt door zelfkennis, kennis van beroepen en keuzevaardigheid. Dit is wat men nodig heeft om de eigen persoon en loopbaan te kunnen overzien en daadwerkelijk te sturen.

Voor het versterken van dit (zelf)bewustzijn bestaan van oudsher diverse methoden, bijvoorbeeld "Rogeriaanse" counseling, meditatie en biografische methoden. Betrekkelijk nieuw is de door Hermans (bijv. 1993) ontwikkelde Zelf Konfrontatie Methode. Naar mijn mening is de ZKM een van de beste methoden die op dit moment beschikbaar is om zelfreflectie op gang te brengen, te structureren en vervolgens in actie om te zetten. De integratie van "subidentiteiten" wordt erdoor bevorderd. Dat Hermans de derde plaats inneemt in de ranglijst van Nederlandse topauteurs op het gebied van de psychologie (Knippenberg en Van Luijtelaar, 1995) en dat zijn onderzoeksprogramma aan de Universiteit van Nijmegen als excellent is beoordeeld, biedt aanwijzingen voor de kwaliteit.

Helbing (1994b) is verbaasd dat ik deze methode juist in verband met de LDC-nota propageer. Hij vindt de methode bij uitstek probleemgericht/remedial/therapeutisch en daarmee diametraal tegenover de preventief/educatieve/agogische werkwijze die door de LDC-auteurs wordt aanbevolen.

Uitspraken die Lubbers, In 't Veld en Van Thijn deden op sleutelmomenten in hun loopbaan (Luken, 1994), illustreren echter de stelling, dat het ook op de hoogste niveaus normaal is om een verdeeld zelf en een gebrek aan inzicht in dat zelf te hebben. Het zijn zeker niet alleen neuroten of psychisch zieken die daar last van hebben. Waarom zou men dan een goede methode in de kast laten liggen totdat de problemen de pan uitrijzen? Liever bijvoorbeeld om het jaar een moment van bezinning op de loopbaan dan wachten op een midlife-crisis of outplacement. Waarom zo veel investeren in onderhoud en modernisering van de hardware (machines, gebouwen, inrichting) en het human capital (in veel organisaties goed voor meer dan 80% van de kosten) verwaarlozen? In het bedrijfsleven, het onderwijs en de arbeidsbemiddeling heeft de methode haar nut reeds bewezen, zij het vooralsnog inderdaad meer in een remediale dan preventieve context (Hoekstra en Smeets, 1992; Van de Loo, 1992; Poulie, 1991; Lamers, 1993).

Een en ander neemt niet weg dat andere methoden die hetzelfde bereiken met een geringere drempel en tijdsinvestering natuurlijk heel welkom zijn. Op dit punt is nog veel werk aan de winkel.

 

Conclusie

Het begrip actorkwalificaties omvat elementen van wat tot dusver werd aangeduid met beroepskeuzerijpheid, maar is niet hetzelfde. Het zou verstandig zijn als we openstaan voor het denkwerk en de ervaringen uit het verleden, maar ook voor de nieuwe ontwikkelingen op wetenschappelijk en maatschappelijk gebied, ook buiten de (beroepskeuze)psychologie en de keuzebegeleiding.

 

 

 

Literatuur

Brans, M. Kennis is kiezen. VBA-blad, nr. 50, okt. 1994

G. Breeuwsma. Individuele ontwikkeling als narratieve structuur: 'De feiten volgens mij'. Psychologie & Maatschappij. Nr. 64, 1993, p. 248-261.

Gardner, Howard. Frames of Mind: The theory of Multiple Intelligences. Paladin Books, London, 1985.

Gardner, H. The Unschooled Mind: How Children think and How Schools Should Teach. Basic Books, Harper Collins, 1991

Helbing, Hans. Beroepskeuzetheorie als pijler van de praktijk. VBA-blad, nr. 46/47, dec.'93/jan. 1994 (a).

Helbing, Hans. Repliek op Tom Luken: 'Actorkwalificaties'. VBA-blad, nr. 50, okt. 1994(b).

Hoekstra, H.A. en Smeets, M.A.H.J. Waarderingsonderzoek en zelfmanagement bij heroriëntatie op de loopbaan. Gedrag en Organisatie, jrg. 5 (1992), nr. 6, blz. 467-482.

Janssen, G., F. Meijers, R. Spijkerman en G. Wijers. Het AOB in de Informatiemaatschappij. Landelijk Dienstverlenend Centrum, Leeuwarden, 1993.

H. Hermans. Het zelf als verhaal. De Psycholoog, 28-3 (maart '93) p. 1-8.

Knippenberg, H. en G. v. Luijtelaar. Een methode voor het identificeren van topauteurs in de Nederlandse psychologie. De Psycholoog, januari 1995, p. 8-13.

Lamers, A. De Zelfkonfrontatiemethode: het gebruik van een systematische vorm van zelfonderzoek bij studie-, beroepskeuze en loopbaanvragen. In: Handboek Studie en beroepskeuzebegeleiding. Blz. 1500-1 e.v. Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen a/d Rijn, 1993.

Loo, R. v.d. Verheldering van Loopbaanperspectief: ontwikkeling en toepassing van een programma voor loopbaanoriëntatie op basis van de zelrfkonfrontatiemethode. Van Gorcum, Assen/Maastricht, 1992.

Luken, Tom. Actorkwalificaties: oude wijn in nieuwe zakken of nieuwe wijn in oude zakken? VBA-blad, nr 50, okt. '94.

Meijers, F. Arbeidsidentiteit: een aangrijpingspunt voor loopbaanbegeleiding in de post-industriële samenleving. Uit: M.C.A. de Grauw, L. Parlevliet en R.M.H. Spijkerman (red.). Loopbaanvraagstukken: Tussen wens en werkelijkheid. Jubileumuitgave Akademie Mens-Arbeid Tilburg. Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den Rijn, 1993, p. 103-121.

Meijers, F. Beroepskeuzerijpheid een gevaarlijk begrip? VBA-BLAD, nr. 49, juli 1994.

Poulie, M.F. Meer licht op faalangst. Academisch proefschrift, KUN, Nijmegen, 1991.

Spijkerman, R.M.H. Studie- en beroepskeuzerijpheid. In: Handboek Studie en beroepskeuzebegeleiding. Blz. 1300-1 e.v. Samsom H.D. Tjeenk Willink, Alphen a/d Rijn, 1992.

Steege, G. ter, K. Penninx en N. Rögels. Uitkijken naar het dessert: Levensloopmethoden in educatief werk met ouderen. NIZW, Utrecht, 1994.

J.J. van der Werff. Het "Zelf", een bruikbaar begrip? Tijdschrift voor Cliëntgerichte gesprekstherapie, nr. 2, 1993, p.21-34.

Westbrook, B.W. Career Maturity: The Concept, the Instruments, and the Research. In Walsh, W.B. and Osipow, S.H. (eds): Hanbook of Vocational Psychology, Vol. 1: Foundations. Lawrence Erlbaum Associates, Hillsdale (N.J)/London, 1983, p.263-303.

Wiegersma, S. Psychologie van beroep en beroepskeuze. Wolters, Groningen, 1967.