[deze tekst is oorspronkelijk verschenen in het Handboek Studie- en Beroepskeuzebegeleiding, Samson H.D. Tjeenk Willink, Alphen a/d Rijn, 1990]

Tom Luken is arbeids- en organisatiepsycholoog, c.q. beroepskeuzepsycholoog.

Hij was gedurende 8 jaar werkzaam bij het Nederlands Instituut voor studie- en Beroepskeuzebegeleiding (het N.I.B.), gedeeltelijk in de praktijk van het studie/beroepskeuzewerk, gedeeltelijk als stafmedewerker voor de kwaliteitsbevordering.

Hij is nu verbonden aan het Instituut voor Beroepskeuze- en Loopbaanpsychologie (I.B.L.P.) te Amsterdam, van welk instituut hij mede-oprichter is. Zijn werkzaamheden bestaan voornamelijk uit individuele loopbaanbegeleiding voor medewerkers van diverse bedrijven en instellingen en projecten/onderzoeken op het terrein van de beroepskeuze- en loopbaanpsychologie.

ZELFCONCEPTVERHELDERING

Drs. T.P. Luken

Samenvatting.

Dit artikel gaat over de vraag hoe mensen hun zelfkennis kunnen vergroten en verbeteren. Aansluitend op het in de vaktaal gangbare spraakgebruik wordt hiervoor de term "zelfconceptverheldering" gebruikt.

Eerst wordt uiteengezet wat in de keuzebegeleiding de rol van zelfconceptverheldering is, wat het inhoudt en hoe men erbij te werk gaat.

Vervolgens worden enkele problemen bij de zelfconceptverheldering gesignaleerd. Een verklaring voor de problemen wordt gezocht in de uitgangspunten van de methoden en in de wijze waarop het zelfconcept wordt opgevat. Een schets van enkele recente ontwikkelingen in de zelfconceptpsychologie volgt. Gesuggereerd wordt dat bijstelling van de manier waarop men zich het zelfconcept voorstelt, een bijdrage zou kunnen leveren aan de oplossing van de gesignaleerde problemen.

1. Inleiding.

De Amerikaan Frank Parsons wordt algemeen beschouwd als grondlegger van de beroepskeuzebegeleiding. In het begin van deze eeuw richtte hij in de Verenigde Staten het eerste beroepskeuzebureau op en schreef hij:

"Voor een verstandige beroepskeuze zijn drie factoren van belang:

1. een helder begrip van jezelf, je aanleg, bekwaamheden, interessen, ambities, hulpbronnen, beperkingen en hun oorzaken;

2. kennis van de vereisten en condities voor succes, de voor- en nadelen, beloning, kansen en vooruit-

zichten in verschillende soorten werk;

3. op realistische wijze redeneren over de relaties tussen deze twee groepen feiten." (Parsons, 1909/1967, p.5)

Hoewel deze woorden ontelbare malen zijn geciteerd, vertaald, geparafraseerd en nagevolgd, zijn er ook wel eens vragen rond Parsons model gerezen (Luken, 1984) en is het zelfs wel eens incompleet en obsoleet verklaard (Wiegersma, 1975). Tot nu toe is het echter nooit gelukt om er werkelijk van los te komen en een alternatief te formuleren dat evenveel zeggingskracht heeft. Fundamenteel is Parsons model daarom nog steeds van kracht.

Bij de eerste factor die Parsons indertijd noemde ("een helder begrip van jezelf..."), gaat het in feite om ongeveer hetzelfde als wat later (sinds Rogers en in diens voetsporen Super) met het begrip "zelfconcept" werd aangeduid. Talloze malen is bewezen dat mensen inderdaad meestal een beroep kiezen dat, simpel gezegd, bij hun zelfconcept past (zie bijv. Helbing, Osipow of Brown). Het lijdt dan ook geen twijfel dat de kwaliteit van iemands beroepskeuze voor een belangrijk deel afhankelijk is van de kwaliteit van het zelfconcept. De vragen en kritiekpunten rond dit aspect van Parsons model betroffen voornamelijk het hoe en niet het waarom. Zelfconceptverheldering is dan ook een van de belangrijkste elementen van de studie- en beroepskeuzebegeleiding (zie bijv. Pere of Taborsky) of zou dit moeten zijn.

Het belang van dit element is overigens niet altijd en overal even duidelijk ingezien, zoals hierna (in par. 4) nog zal blijken. Ook de laatste tijd is de belangstelling niet groot. Illustratief is de uitspraak van een belangrijke functionaris van ARBVO op een congres in 1986, "dat hij het woord zelfconceptverheldering niet meer uit z'n strot kon krijgen". Voor hem was goede informatie over opleidingen, beroepen en - vooral - de arbeidsmarkt véél belangrijker. Ook als men een recente jaargang van het tijdschrift Dekanoloog doorbladert, valt op dat hooguit een paar procent van de inhoud over zelfconceptverheldering gaat.

Naar mijn mening is het niet onwaarschijnlijk dat de belangstelling voor het zelfconcept weer zal toenemen. Eén factor hierbij is de aandacht voor zaken als emancipatie en roldoorbreking bij meisjes, de beoogde (her)intrede op de arbeidsmarkt van vrouwen, allochtonen en langdurig werklozen en de preventie van het voortijdige afbreken van opleiding of studie. Het is niet moeilijk om aan te tonen dat het zelfconcept bij al deze zaken een uitermate belangrijke rol kan spelen. Andere factoren zijn de economische, demografische en culturele ontwikkelingen: binnen niet al te lange tijd zal er (weer) heel wat te kiezen zijn.

Dit artikel gaat in hoofdzaak over de vraag hoe, vanuit een theoretisch gezichtspunt, de kwaliteit van het zelfconcept bevorderd kan worden. Daaromheen zullen echter een aantal andere vragen aan de orde moeten komen:

- wat is het zelfconcept?

- waar richt de zelfconceptverheldering zich op?

m.a.w: wat is de beoogde kwaliteit van het zelfconcept?

- welke middelen tot zelfconceptverheldering bestaan

er?

- werken deze middelen naar tevredenheid?

- zo niet, hoe komt dat?

- hoe zou het wellicht beter kunnen?

2. Enkele definities.

Zoals bij wel meer begrippen in de psychologie het geval is, bestaan er diverse definities van het begrip zelfconcept. Bovendien zijn er veel verwante termen. Om er enkele te noemen: ego, identiteit, ik, mij, zelf, ware zelf, sociale zelf, existentiële zelf, zelfbeleving, zelfschema's, zelfkennis, persoonlijkheid, enz.

Ik zal hier niet proberen een beschrijving van de spraakverwarring te geven. Van der Werff heeft dat nog niet zo lang geleden gedaan (1985). Hier volgen slechts enkele simpele definities, aansluitend op het gangbare spraakgebruik in de beroepskeuzebegeleiding. Van der Werff definieert het zelfconcept eenvoudig als

"de visie die een individu op de eigen persoon heeft". Spijkerman (1989) spreekt van een verzameling van meer stabiele opinies over de eigen persoon. Men hanteert ook wel eens het begrip "zelfbeeld".

Taborsky (1984) kiest de volgende, wat minder summiere definitie: "Mijn zelfconcept omvat mijn gedachten en gevoelens, strevingen en hoop, angsten en fantasieën m.b.t. wat ik ben, wat ik was en wat ik zou kunnen worden. Het behelst waarden die voor mijn persoon belangrijk zijn en reflecties op mijn eigen ervaringen en op reakties van anderen op mij."

Op deze plaats lijkt het nuttig ook alvast de volgende vier begrippen te introduceren:

Het begrip publieke zelf verwijst naar hoe we ons aan anderen presenteren. Mensen kunnen zelfs meerdere "publieke zelven" hebben, bijv. de leerling die zich tegenover klasgenoten heel anders presenteert dan tegenover zijn1 ouders.

Het begrip ideaal zelf verwijst naar hoe men zou

willen zijn.

Bij het begrip "ware zelf" ligt de zaak iets moeilijker. Sommige auteurs (bijv. Kouwer, De Wolf) stellen dat er niet zoiets als een waar zelf bestaat. Zij vergelijken de persoonlijkeid met een ui: als men de schillen van publiek zelf, ideaal zelf en zelfconcept afpelt, houdt men tenslotte niets over. Minsky (1988, p.37) citeert hierover Kurt Vonnegut: "Je bent wat je pretendeert te zijn; daarom kun je maar beter oppassen met wat je pretendeert te zijn". Niettemin kan er wel een, zij het enigszins tautologische werkdefinitie geformuleerd worden:

het begrip ware zelf verwijst naar wie of hoe men werkelijk is.

Het begrip zelfwaardering zegt iets over hoe tevreden men met zichzelf is. De zelfwaardering uit zich onder meer in de "afstand" tussen ideaal zelf en zelfconcept. Als er een groot verschil is tussen hoe men zou willen zijn en hoe men denkt dat men is, is er sprake van geringe zelfwaardering.

Als geldt dat zelfconcept = publiek zelf = ideaal zelf = waar zelf, dan kan men stellen dat er van voldoende zelfwaardering en een realistisch zelfconcept sprake is. Zelfconceptverheldering is dan niet nodig.

3. Doelen van zelfconceptverheldering.

Zoals in de inleiding reeds is gesteld, staat - althans op wetenschappelijk niveau - vast, dat het zelfconcept een uiterst belangrijke rol speelt bij de beslissingen die mensen in (en buiten) het kader van hun loopbaan nemen. Simplificerend: hoe beter het zelfconcept, des te beter de beslissingen. Daarom doen we aan zelfconceptverheldering.

Maar wat is een "beter" zelfconcept?

De term zelfconceptverheldering suggereert dat het primaire doel een "helder" zelfconcept is. Men moet, zoals Parsons al schreef, een helder, duidelijk beeld krijgen van de eigen interessen, doelen, sterke en zwakke kanten, etc.

Daarnaast is het van belang dat het zelfconcept realistisch is. Wat de persoon over zichzelf denkt moet in overeenstemming zijn met hoe hij of zij werkelijk is. Hoe kleiner de afstand tussen zelfconcept en "ware zelf", des te beter.

Enkele voorbeelden zullen een en ander, voorzover nodig, verduidelijken:

Joke denkt dat zij graag tandarts wil worden. In feite - zij is het zich niet goed bewust - doet zij deze studie voor haar ouders. Pas in de eindfase van de opleiding, wanneer enige ervaring met het werk wordt opgedaan, komt zij erachter dat dit beroep echt niets voor haar is.

Els heeft weinig idee van haar aanleg voor exacte vakken maar gaat ervan uit, dat wiskunde gewoon te moeilijk voor haar is en laat het daarom vallen. Zo sluit zij voorbarig talloze ontwikkelingsmogelijkheden min of meer definitief uit.

Henk voelt zich eigenlijk aangetrokken tot administratief werk. Hij wil dit echter niet toegeven voor zijn vrienden, bij wie dit werk zeer impopulair is...

Cees is niet echt tevreden in zijn werk. Hij wil iets anders, maar weet niet wat voor doel te kiezen. Zowel in als buiten zijn werk besteedt hij zijn tijd en energie (lang) niet optimaal.

De Vries gelooft dat de meeste mensen behoorlijk van hem onder de indruk zijn en wordt afdelingschef. Pas na een harde leerschool (zowel voor hem als voor het bedrijf) komt hij erachter dat men hem in feite niet au sérieux neemt.

Dergelijke voorbeelden zijn niet zo ver gezocht. In de praktijk van de keuzebegeleiding maken ze deel uit van de dagelijkse kost.

In een realistisch zelfconcept is ook de "schaduwkant" van het zelf geintegreerd. "Dit zijn kanten van onszelf (dat wil zeggen van onze "ware zelven" T.L.) die wij liever niet onder ogen willen zien, die wij voor anderen en voor onszelf verbergen." Het gaat om vragen als "Waarin ben ik kwetsbaar?", "Wat zijn mijn zwakke kanten?", "Waarover schaam ik me?", "Waarin heb ik totnutoe gefaald en hoe kwam dat?" (Taborsky, 1987; Beekman).

Het behoeft geen betoog, dat beslissingen die uitsluitend op de zonnige kant van ons zelfconcept zijn gebaseerd, grote risico's op mislukking met zich meebrengen.

Tot slot wordt de term zelfconceptverheldering ook wel eens in bredere zin gebruikt en worden aktiviteiten die de zelfwaardering bevorderen, ertoe gerekend. Inderdaad is de zelfwaardering bij de beroepskeuze en bij de zelfconceptvorming van groot belang. Wanneer namelijk de discrepantie tussen zelfconcept en ideaal zelf groot is, is een compromis tussen beide (en daarmee een redelijke bevredigende beslissing) moeilijk of onmogelijk (Helbing, 1987, p.29). Onvoldoende zelfwaardering kan bovendien tot een van de volgende drie soorten problemen met het zelfconcept leiden (Munning, 1986):

(1) Een negatief zelfconcept. Een dergelijk zelfconcept (en de handhaving ervan) blokkeert het leervermogen. Het streefniveau is extreem laag (niets proberen) of extreem hoog (het onmogelijke proberen). Het vaardigheden-potentieel blijft braak liggen. Dikwijls is men bang voor succes (omdat dit handhaving van het negatieve zelfconcept onmogelijk zou maken) en hanteert men daarom "self-handicapping strategies" (bijv. te veel drinken op de avond voor een examen).

(2) Een onzeker zelfconcept. Een dergelijk zelfconcept leidt ertoe, dat men zich vooral inspant om zichzelf (en anderen) te bewijzen dat men wel degelijk kwaliteiten heeft. Het leervermogen is niet geblokkeerd, maar men leert slechts op beperkte terreinen, omdat het leren in het teken staat van dit ene doel (jezelf bewijzen). Men concentreert zich bijv. op een of enkele gebieden, waarop men "perfekte" resultaten probeert te behalen. Omdat slechts het ene doel telt, is intrinsiek plezier in bezigheden afwezig met alle gevolgen vandien voor de vitaliteit, levensvreugde en zinbeleving.

(3) Een oneigenlijk positief zelfbeeld. Een van de gevolgen hiervan is, dat men constant bezig is om corrigerende, het zelfgevoel bedreigende informatie uit het bewustzijn te weren.

In het navolgende wordt vooral ingegaan op het begrip zelfconceptverheldering in engere zin, d.w.z. de begeleidingsaktiviteiten die tot doel hebben te bevorderen dat het zelfconcept helder en realistisch (inclusief "schaduwkant") wordt.

4. Middelen bij de zelfconceptverheldering.

Parsons' visie op zelfconceptverheldering doet nog tamelijk modern aan:

"Een zorgvuldige studie van jezelf is de basis voor een juist plan voor je leven..... doe eens een stap opzij en kijk naar jezelf alsof je iemand anders was..... vergelijk jezelf met anderen..... Laat je vrienden je helpen om juiste beoordelingen van jezelf te vormen....."

Parsons' beroepskeuzebureau gaf de cliënt hiertoe een vragenlijst, of liever zelf-analyse-werkboek mee, met behulp waarvan de cliënt een zeer groot aantal, vaak indringende vragen over zichzelf beantwoordde. De rol die de adviseur hierbij volgens Parsons moet spelen, is begeleiden en niet het voorschrijven van een oplossing.

In de begindagen van de beroepskeuzebegeleiding in Nederland was er van zelfconceptverheldering nog geen sprake. Het ging bij de advisering (en de uitvoering

van het advies) om de mening van onderwijzer, arts en adviseur. De geadviseerden of de ouders mochten ook wel wat zeggen, maar hun mening legde weinig gewicht in de schaal (Pere, 1986, p.74 e.v.)

Rond 1925 doet de psychologische test zijn intrede in de beroepskeuzebegeleiding. In 1938 wordt ongeveer 40 % van de adviesvragenden bij de beroepskeuzebureaus

getest, in 1945 70 % en in 1977 99 % ! Deze groei vindt plaats ondanks het feit dat de waarde van het testen herhaaldelijk (ook nu nog) onderwerp van discussie is.

De meest gebruikte tests zijn capaciteiten- en interessetests. Daarnaast maakt men wel gebruik persoonlijkheidstests, waardentests en diverse mengvormen en varianten.

Aanvankelijk is de test puur een, of zelfs hèt middel om de adviseur van informatie over de te adviseren persoon te voorzien. Sinds het eind van de zestiger jaren worden tests door veel beroepskeuzebegeleiders echter meer gezien als middelen voor zelfconceptverheldering: tests bieden de cliënt in deze opvatting betrouwbare en valide informatie waarmee hij of zij in staat gesteld wordt om relevante bijstellingen en aanvullingen in het zelfconcept aan te brengen. Tests zijn hiermee een min of meer ondergeschikt hulpmiddel in het counselingsproces geworden, althans in theorie.

Het counselingsgesprek zelf is bij het testgebruik als middel tot zelfconceptverheldering minstens zo belangrijk als de testuitslag. Counseling bevordert de zelfconceptverheldering op de volgende wijze:

- de counseler "geeft terug" wat de cliënt zegt;

hierdoor fungeert hij als een spiegel, waarin de cliënt zichzelf kan waarnemen;

- de cliënt wordt aangemoedigd om (nieuwe) gedachten

en gevoelens over zichzelf te verkennen en te uiten;

door over zichzelf te praten kan hij zichzelf ontdekken; de counseler helpt een en ander te (her)structureren;

- de counseler accepteert de cliënt en wat hij zegt,

ook als het bijvoorbeeld om zaken gaat die de cliënt moeilijk vindt om te vertellen; hierdoor wordt deze geholpen zichzelf, inclusief zijn "schaduwkant" te accepteren;

- in het dagelijks leven spelen de meeste mensen

voortdurend het spelletje "als jij net doet alsof je gelooft dat ik ben zoals ik me voordoe, doe ik net alsof ik geloof dat jij bent zoals jij je voordoet"; met andere woorden "accepteer mijn publieke zelf, dan accepteer ik het jouwe!"; de (goede) counseler doet hier niet aan mee en helpt zodoende de cliënt om verder te kijken dan zijn "publieke zelf";

- tot slot kan de counseler "feedback" verschaffen en

een voorbeeldfunctie vervullen (volgens Jourard is niets zo bevorderlijk voor de "zelfonthulling" van de client als de "zelfonthulling" van de kant van de counseler).

In het begin werd counseling vaak zo opgevat dat het gesprek "non-directief" moest zijn: door de cliënt vrij te laten en zelf het onderwerp te laten bepalen werd hij mede-verantwoordelijk voor de inhoud en het verloop van het gesprek en daarmee geoefend in zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid. Bovendien zouden de voor de cliënt belangrijkste onderwerpen aldus vanzelf wel aan de orde komen.

Het groepsgesprek kan als derde middel genoemd worden en heeft in het begin van de zeventiger jaren zijn intrede in de beroepskeuzebegeleiding gedaan. Wat betreft de zelfconceptverheldering kunnen globaal dezelfde effecten resulteren die bij het individuele counselingsgesprek genoemd zijn, mits de sfeer in de groep "veilig" is en niet te anoniem. Anders is vooral in een groep het risico groot dat alleen publieke zelven verhelderd worden. Omdat er in een groep meerdere mensen zijn, kunnen vooral de voorbeeldfunctie en de (meerzijdige) feedback van belang zijn. Daarnaast kan een groep extra steun en stimulans, meer ideeën en kennis, een democratischer verhouding en een besparing in de kosten met zich meebrengen.

Tegenwoordig komt zowel het individuele als het groepsgesprek in min of meer gestructureerde en min of meer procesmatige vormen voor. Ook worden bij beide verschillende soorten hulpmiddelen gebruikt. In een aantal gevallen kan men spreken van complete programma's of projecten. Wat betreft de hierbij gebruikte hulpmiddelen kunnen bijvoorbeeld genoemd worden:

- eigenschappenlijsten of zelfbeoordelingsvragenlijs-

ten: de cliënt geeft zelf aan in hoeverre hij zichzelf slim of niet slim vindt, optimistisch of pessimistisch, rommelig of ordelijk etc. Een verschil met tests is, dat de eigenschappenlijsten meestal niet genormeerd zijn (bij een test kan men in de regel de uitslag vergelijken met een of meer "normgroepen").

- opdrachten; te denken valt aan opstellen schrijven,

tekeningen maken die een bepaald aspect van het zelf laten zien, expliciet feedback van anderen vragen (bijvoorbeeld aan huisgenoten vragen wat men als zwakke punten ziet), enzovoort.

- spellen; te denken valt aan kaartspellen (waarbij de

kaarten bijvoorbeeld waarden, interessen en/of capaciteiten voorstellen), rollenspellen (bijvoorbeeld beroepsrollen uitbeelden), spellen waarbij taken verdeeld moeten worden, enzovoort.

Wie hanteren nu alle in deze paragraaf genoemde middelen bij de zelfconceptverheldering?

Tot ongeveer 15 jaar geleden werd het grootste deel van de professionele beroepskeuzeadvisering verricht door beroepskeuzeadviseurs en psychologen van particuliere beroepskeuzebureaus en arbeidsbureaus. Sindsdien is dit werk in veel arbeidsbureaus gestaakt en bij de particuliere bureaus min of meer bevroren. Talloze anderen zijn dit werk tegelijkertijd (meer) gaan doen, soms als hoofd-, soms als deeltaak: schooldecanen, regionaal consulenten van het leerlingwezen, arbeidsdeskundigen bij GMD of ABP, medewerkers van outplacementbureaus, vrouw- en werkwinkels, loopbaanadviesbureaus, etc. Deze ontwikkeling beperkt zich overigens niet tot Nederland, maar is bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten gesignaleerd.

Niet alle hierboven genoemde functionarissen lijken evenveel accent te leggen op het aspect zelfconceptverheldering. Zoals in de inleiding reeds is opgemerkt, krijgt het voorlichtende aspect tegenwoordig naar verhouding meer aandacht. De economische ontwikkelingen van de laatste 15 jaar zijn hieraan natuurlijk niet vreemd.

Wat betreft de middelen waarmee aan zelfconceptverheldering wordt gedaan: omdat het "marktaandeel" van de beroepskeuzeadviseurs en psychologen gedaald is, is het aandeel van de tests in de gehanteerde middelen wat kleiner geworden; de andere genoemde functionarissen gebruiken namelijk geen of weinig tests (zij zijn hiertoe in de meeste gevallen niet gerechtigd). Over de ontwikkelingen op dit gebied zijn overigens geen exacte, recente gegevens bekend.

5. Problemen bij de zelfconceptverheldering.

Alle in de vorige paragraaf genoemde middelen voor zelfconceptverheldering hebben hun tekortkomingen en problemen. Hieronder volgen een aantal voorbeelden.

Psychologische tests zijn in de loop van de tijd in het algemeen redelijk goede meetinstrumenten geworden. Helaas is echter meestal niet geheel duidelijk wàt ze meten en zeggen de uitslagen weinig over de toekomst (wat bij keuzeprocessen nu juist zo interessant zou zijn).

Als voorbeeld kunnen de intelligentietests dienen die in enkele opzichten vaak beter zijn dan de meeste andere tests en bovendien dikwijls worden gebruikt.

De meest gebruikte intelligentietests zijn behoorlijk betrouwbaar in die zin dat de scores op de verschillende items globaal in dezelfde richting wijzen en dat de cliënt, als hij de test over zou moeten doen (afgezien van een leereffect) ongeveer dezelfde einduitslag zou behalen. Het argument dat een testuitslag grotendeels van toevalsfactoren afhangt en puur een momentopname zou zijn ("ik was verkouden en als ik dat niet was geweest, was het vast véél beter gegaan"), gaat dan ook slechts in zeer beperkte mate op.

Wat echter precies onder intelligentie verstaan moet worden en hoe intelligentie werkt, daarover bestaat weinig duidelijkheid (zie bijvoorbeeld Vroon, 1980 of Garcia, 1981). Bovendien: de intelligentie is in feite weinig bepalend voor de toekomstige prestaties op school en in het werk. De voornaamste reden hiervoor is dat succes (in school en werk) van zo veel andere factoren mede afhankelijk is: interesse, doorzettingsvermogen, zelfvertrouwen, gezondheid, beschikbare hulp, etc. Grosso modo wordt maximaal ongeveer 10 % van de mate van succes in opleidingen bepaald door intelligentie en maar liefst minimaal 90 % door de andere factoren2! Bij het voorspellen van succes in werk zijn de verbanden nog zwakker dan bij het voorspellen van succes in opleidingen.

De maximaal bereikbare duidelijkheid waartoe dit soort tests zou kunnen leiden, zijn uitspraken als "Van de mensen met een GIT-leeftijds-IQ van 130 haalt 80% de eindstreep van opleiding X en van de mensen met IQ 110 is dat 70 %". De voor dit soort uitspraken noodzakelijke gegevens ("verwachtingstabellen") zijn in de beroepskeuzebegeleiding (in Nederland) echter zelden of nooit voorhanden. En al zouden ze wel voorhanden zijn - een selecteur zou er eventueel beslissingen op kunnen baseren, de individele beroepskeuzecliënt heeft er weinig aan.

Bij de andere soorten tests (interessetests, persoonlijkheidstests e.d.) kunnen soortgelijke vraagtekens geplaatst worden.

Toen de psychotechniek zestig jaar geleden opkwam en ook toen in de zestiger jaren op grote schaal computerverwerking mogelijk werd, had men zeer hooggespannen verwachtingen. Sommigen meenden dat het op den duur door middel van technische perfectionering mogelijk zou zijn om exacte voorspellingen over het meest geschikte beroep en de slaagkansen daarin te doen. Inmiddels staat vast dat deze verwachtingen niet uitkomen. Al vele decennia wordt er geen of nauwelijks vooruitgang geboekt. Omdat sommige tests (bijvoorbeeld interessetests) snel verouderen, kan men soms zelfs van achteruitgang spreken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat talloze gezaghebbende psychologen (Kouwer, Drenth, Hofstee, Wiegersma) en ook minder gezaghebbende, maar veelbeluisterde vakgenoten (Van Minden) wel eens hebben gepleit voor een totale afwijzing van test en testgebruik. En dit niet alleen op grond van het onvermijdelijke gebrek aan voorspellend vermogen, maar ook vanwege onder meer het feit dat veel tests in zekere zin discriminerend werken ten aanzien van allochtonen en - zij het in mindere mate - vrouwen.

Natuurlijk zijn er ook voorstanders van het testen. Als een van de voordelen van tests noemt wel eens de tijdsbesparing die ze mogelijk maken, althans voor de adviseur (voor de cliënt ligt dat meestal anders).

Wat betreft de zelfconceptverheldering hebben tests twee uitgesproken sterke kanten:

- Parsons' "kijk naar jezelf alsof je iemand anders

was" is makkelijker gezegd dan gedaan. Mensen zijn per definitie subjectief als ze zichzelf beoordelen. De beoordelingen van andere mensen zijn ook subjectief, al lijkt het gemiddelde van subjectieve beoordelingen ("intersubjectiviteit") wel al een beetje op objectiviteit. De meeste tests zijn daarentegen echt objectief, althans in die zin dat iedereen precies dezelfde vragen/opgaven voorgeschoteld krijgt in condities (tijdsduur e.d.) die op alle belangrijke punten voor iedereen gelijk zijn. Bovendien is (als het goed is) de uitslag onafhankelijk van degene die de test nakijkt. Daarmee vormen tests in dit kader een van de weinige bronnen voor objectieve gegevens.

- Omdat tests genormeerd en gestandaardiseerd zijn,

bieden ze de cliënt een van de weinige betrouwbare manieren om zichzelf te vergelijken met andere mensen. Mensen die door een geringe zelfwaardering hun eigen capaciteiten onderschatten, kunnen hieruit bijvoorbeeld reëel zelfvertrouwen putten.

Resumerend kan gesteld worden, dat de meettechnische betrouwbaarheid van tests wel eens onderschat wordt, maar dat de relevantie en voorspellende waarde vaak overschat worden. Wanneer de waarde op realistische wijze wordt opgevat (en de test dus niet als voorspeller wordt gebruikt), kunnen zij een bescheiden doch nuttige rol spelen bij de zelfconceptverheldering.

Bij het counselingsgesprek als middel voor zelfconceptverheldering doen zich de volgende twee problemen voor:

- Ongeveer in dezelfde periode (in de vijftiger jaren)

waarin de counselingsbenadering ontstond, begon men in te zien dat de beroepskeuze niet een momentaan gebeuren is, maar dat het om een proces gaat. Dit idee is ontelbare malen in de wetenschappelijke

literatuur en in beleidsnota's onderschreven. In de beroepskeuzebegeleiding wordt het echter lang niet altijd in praktijk gebracht. De onderzoeken van de beroepskeuzebureaus althans vinden meestal op één dag en hoogstens op enkele dagen verspreid over een maand plaats. Decanen hebben wel de gelegenheid om de leerlingen voor langere tijd in hun ontwikkelingsproces mee te maken, maar hebben vaak weinig tijd om daar ook echt iets mee te doen. Het probleem met counseling als middel is dat het nogal arbeidsintensief is, wanneer de procesgedachte meer dan lippendienst wordt bewezen.

- Zoals eerder is opgemerkt doet de goede counseler

niet mee aan het spel "als jij net doet alsof je gelooft dat ik ben zoals ik me voordoe, doe ik net alsof ik geloof dat jij bent zoals jij je voordoet". Als de counseler dit spel namelijk wèl meespeelt, dan wordt hoogstens het concept van het "publieke zelf" van de cliënt verhelderd. Dit kan zelfs een belemmering vormen voor de verheldering van het zelfconcept. Het is echter nogal moeilijk om dit spel los te laten (niet alleen voor de cliënt, maar ook voor de counseler - die geacht kan worden hierin het voorbeeld te geven), omdat dat onder meer de nodige zelfwaardering en moed vereist. Daar komt nog bij dat de counseler enkele lastige paradoxen heeft op te lossen. Om er twee te noemen: hoe moet men op positief/accepterende wijze op de nare kanten van de cliënt reageren en tegelijkertijd open, echt en authentiek zijn? En hoe de cliënt te helpen zijn "schaduwkanten" onder ogen te zien en tegelijk de zelfwaardering op te vijzelen? Het is de vraag in hoeverre in de doorsnee beroepskeuzebegeleiding aan de genoemde eisen en voorwaarden voldaan wordt.

Overigens is het zeker niet de bedoeling met het bovenstaande te beweren dat een counselingsgesprek alleen maar zinvol is, wanneer aan alle voorwaarden optimaal is voldaan. Een deel van de in de vorige paragraaf genoemde effecten kan wel degelijk ook onder niet-optimale omstandigheden optreden, dit nog afgezien van adekwate voorlichting en hulp bij de besluitvorming (die geen zelfconceptverheldering, maar wel vormen van keuzebegeleiding zijn).

Voor het groepsgesprek gelden soortgelijke overwegingen als voor het individuele counselingsgesprek. Mogelijk kan het hier extra moeilijk zijn om het niveau van het publieke zelf te overstijgen.

Met eigenschappenlijsten het zelfconcept te lijf gaan - dat doet men volgens Van der Werff in de

"onbekommerde zelfconcept-psychologie". Zijn belangrijkste bezwaar tegen eigenschappenlijsten in dit kader is, dat het denken van mensen over zichzelf hierin nooit goed tot zijn recht kan komen, omdat:

(1) de stilzwijgende aanname, dat een reeks gescoorde eigenschappen een adekwate weergave zou vormen van het beeld dat een persoon van zichzelf heeft, onjuist is; spontane zelfbeschrijvingen hebben in de regel immers allerminst het karakter van een reeks eigenschapstermen;

(2) de eigenschappen waarop de cliënt zich moet beoordelen, vrijwel altijd door de onderzoeker zijn bedacht en vrijwel altijd heel andere zijn dan de cliënt voor zichzelf uitgekozen zou hebben;

(3) eigenschappenlijsten geen mogelijkheid bieden om de onzekerheden en tegenstrijdigheden van het zelfcon-

cept weer te geven; hun "inhoudsvaliditeit" is onder de maat.

Men zou aan Van der Werffs bezwaren nog kunnen toevoegen dat ook in eigenschappenlijsten meestal meer een "publiek zelf" dan een zelfconcept gepresenteerd zal worden.

De sterke kanten van tests gaan niet of slechts ten dele op voor eigenschappenlijsten. Slechts in een enkel geval (bijvoorbeeld de PRCP van Helbing) is een eigenschappenlijst zorgvuldig opgezet en onderzocht op betrouwbaarheid en validiteit.

Resumerend kan gesteld worden dat van eigenschappenlijsten op zich weinig zelfconceptverheldering verwacht kan worden.(In combinatie met adekwate counseling, groepsgesprekken of andere vormen van beroepskeuzebegeleiding kan het anders liggen).

Bij de overige middelen tot zelfconceptverheldering kunnen zich problemen voordoen die vergelijkbaar zijn met die welke hierboven zijn aangegeven. In plaats van deze in detail verder te bespreken, lijkt het nuttiger om eens stil te staan bij enkele meer principiële moeilijkheden bij de zelfconceptverheldering.

6. Filosofie van de zelfconceptverheldering.

Vragen waarover mensen in het algemeen en filosofen in het bijzonder van oudsher hebben nagedacht, zijn: hoe komen wij aan kennis en hoe kunnen we erachter komen of, wat wij menen te weten, echt waar is?

Het antwoord dat tegenwoordig meestal op deze vraag gegeven wordt, is: "de wetenschappelijke methode". De kern van deze methode ligt in de zogenaamde empirische cyclus. In het kort kan deze cyclus met de volgende trefwoorden gekenschetst worden: observeren, theorie vormen, hypothesen opstellen, hypothesen toetsen, resultaten observeren, theorie vervangen of bijstellen, nieuwe hypothesen opstellen, etc. Nog korter samengevat: waarnemen, denken, doen.

Het nagaan of een theorie klopt, vindt in de wetenschappelijke methode in wezen op twee manieren plaats: (1) men onderzoekt of de theorie logisch consistent is; bijvoorbeeld als volgens mijn theorie A zwaarder is dan B, B zwaarder dan C, maar C zwaarder dan A, dan kan ik weten dat er iets mis is met mijn theorie;

(2) men toetst de theorie aan de waarneming; (dit houdt wel in dat de theorie toetsbaar moet zijn); in het voorbeeld zet men A,B en C beurtelings op de weegschaal.

Daarnaast zijn er nog enkele andere criteria voor de beoordeling van de waarde van een theorie:

- geldigheidsomvang (verklaart de theorie veel of wei-

nig?)

- helderheid (kan het ook eenvoudiger gezegd worden?)

- bruikbaarheid (heb je er wat aan?)

Een belangrijke rol bij dit alles speelt het wetenschappelijke "forum": collega's die gepubliceerde theorieën en onderzoeksverslagen lezen en er kritisch op reageren.

De wetenschappelijke methode wordt ook toegepast op de zelfconceptverheldering. Bijvoorbeeld Taborsky (1987) stelt, in navolging van o.m. Kelly en Epstein, "dat ieder mens aan zijn zelfconcept bouwt analoog aan de

wijze waarop de wetenschapper een theorie opzet". En: "Het zelfconcept is een hypothetisch ontwerp dat veranderd kan worden op grond van nieuwe ervaringen". Geheel in overeenstemming hiermee worden de criteria die de wetenschap hanteert, door Taborsky toegepast om de kwaliteit van het zelfconcept te beoordelen en als richtsnoer gebruikt voor de ontwikkeling van een realistisch zelfconcept.

Mijns inziens is de wetenschappelijke methode slechts in beperkte mate toe te passen op de zelfconceptverheldering. Nog afgezien van een aantal andere filosofische problemen kunnen twee belangrijke concrete bezwaren aangevoerd worden:

Het eerste bezwaar is dat het criterium van de interne consistentie niet op het zelfconcept toegepast dient

te worden.

Mensen worden terecht vaak opgevat als "vaten vol tegenstrijdigheden". Van der Werff citeert ter illustratie de beroemde Amerikaanse psycholoog William James (1842-1910) en de Romeinse schrijver/filosoof Seneca: "James schreef al dat hij 'een snedig man, een levensgenieter en lady-killer, maar ook een filosoof' zou willen zijn, 'een filantroop, een staatsman, een krijgsman, een ontdekkingsreiziger in Afrika, maar ook een toondichter en een heilige'. In nog oudere tijden schreef Seneca in zijn brieven dat 'wij heen en weer geslingerd worden tussen allerlei wensen en doelen. Wat is dat toch, Lucilius, dat ons in de ene richting trekt terwijl wij ons inspannen om in de andere te gaan, en dat ons terugdwingt naar de plaats waar we vandaan willen? Wat is het toch dat strijd voert tegen onszelf en ons niet toestaat eens en voor al te bepalen wat wij willen?"

Ook de wetten van de "transitiviteit" gaan niet altijd op in zelfconcepten. Als ik studie A liever doe dan studie B en B liever dan C, hoeft dit - gek genoeg - niet automatisch te betekenen dat ik A liever doe dan C! Lindsay en Norman (1972, p.526 e.v.) noemen en belichten een aantal dergelijke paradoxen. Een aardige illustratie kan men ook vinden bij Minsky (1988, p.9697) die laat zien dat het verband tussen willen en leuk vinden allerminst eenvoudig ligt en dat logisch denken hier niet tot duidelijkheid leidt.

Mensen zitten dus van oudsher vol tegenstrijdigheden. Als het criterium van de interne consistentie toch toegepast wordt op het zelfconcept, zou dit betekenen dat de werkelijkheid aan de theorie aangepast zou moeten worden in plaats van dat de theorie die werkelijkheid zou beschrijven. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Inderdaad wijzen verschillende onderzoeken erop, dat hoe meer identiteiten een individu heeft, des te beter zijn geestelijke gezondheid is. (Markus en Wurf, 1987; zij voegen hier wel aan toe, dat een voorwaarde zou kunnen zijn, dat deze identiteiten met elkaar geintegreerd kunnen worden.)

Tevens blijkt, "dat mensen met goed ontwikkelde schema's (lees een goed ontwikkeld zelfconcept) juist tegenstrijdigheden en inconsistenties in hun kennis opnemen waardoor ze meer gematigde oordelen vellen en ruimte laten voor de ambiguiteit in de informatie." (Fischer, 1987, p.441). Zij hoeven nieuwe informatie minder te verdraaien en uit te selecteren. Hiermee komen we op het tweede bezwaar.

Het tweede bezwaar tegen toepassen van de wetenschappelijke methode op de zelfconceptverheldering is dat zich problemen voordoen bij het toetsen van de theorie (het zelfconcept) aan de werkelijkheid.

De problemen beginnen hier al bij het formuleren van hypothesen. Onder andere vanwege het vaak wisselvallige en tegenstrijdige karakter van het zelfconcept en de vaagheid van de begrippen, is het moeilijk om toetsbare hypothesen af te leiden.

Wezenlijker nog is dat het denken en het waarnemen door elkaar heenlopen. Iemand die bang is, "ziet" anderen als boos of uitermate kritisch, iemand met een hoge eigenwaan "ziet" bewonderende blikken, enzovoort. Hoe kan iemand in dergelijke omstandigheden zijn ideeën toetsen aan zijn ervaringen?

Er bestaat overweldigend bewijs voor de constatering dat het zelfconcept de neiging heeft zichzelf in stand te houden, zelfs als er nieuwe informatie komt die niet in overeenstemming is met het zelfconcept. Het kan gebeuren dat deze informatie eenvoudigweg niet wordt waargenomen, of dat zij wordt vervormd, vergeten of wat dies meer zij. Sterker nog: de persoon zoekt situaties op en lokt reacties uit, die zijn zelfconcept zullen bevestigen. (Fischer, 1987; Goldfried & Robins, 1983; Swann & Read, 1981; etc.)

Greenwald schreef een interessant en overtuigend overzicht van dit soort onderzoek, waarin hij de organisatie van het "ego" (welke term in zijn artikel ongeveer dezelfde betekenis heeft als het zelfconcept hier) vergeleek met de wetenschapsbeoefening en met het functioneren van een totalitaire staat à la "1984" van Orwell: de geschiedenis wordt in beide constant herschreven en aangepast aan de nieuwe opvattingen; nieuwe informatie wordt kloppend gemaakt met wat er al is. Greenwald citeert Orwells leuze van de Partij: "Who controls the past, controls the future; who controls the present, controls the past." Overigens heeft deze manipulatie van informatie in beide gevallen een duidelijke functie: het overleven van het systeem.

Krasse voorbeelden tot slot bieden anekdotes waarin mensen zich gaan gedragen overeenkomstig wat ze van zichzelf denken. Bijvoorbeeld Combs e.a. (1977, p.58) vertellen over een eerstejaars student die de uitslag op een capaciteitentest terloops gezien had, maar niet begrepen. Hij dacht dat hij een IQ van 98 had, terwijl hij in werkelijkheid in het 98-ste percentiel uitgekomen was (hetgeen correspondeert met een IQ van 140). Hij zakte bijna voor het eerste trimester en zei tegen zijn ouders: "ik geloof niet dat ik de universiteit aankan". Ze gingen samen naar de counseler van de universiteit waar de jongen erachter kwam wat nu werkelijk zijn testuitslag was geweest. Hij was, voordat het jaar voorbij was, in staat de kwalificatie 'uitmuntend' te halen.

Resumerend kan het volgende gesteld worden. De wetenschappelijke methode is een universeel toepasbaar instrument voor het verwerven van kennis en begrip. Wanneer het gaat om zelfconceptverheldering kunnen echter niet precies dezelfde criteria gehanteerd worden, die van toepassing zijn op wetenschappelijke theorieën. Bovendien is bij zelfconceptverheldering sprake van extra moeilijkheden bij de toetsing, die zich in de meeste wetenschapsdomeinen in veel mindere mate voordoen. Het principe van cycli, waarin waarne-

men, denken en doen elkaar opvolgen, is echter zeker ook bij de zelfconceptverheldering van grote waarde.

7. Bijstelling van het begrip zelfconcept.

In het voorafgaande is besproken wat het zelfconcept is en waarom het nuttig is het te verhelderen. Vervolgens zijn een aantal van de hiertoe gehanteerde middelen genoemd. In de paragrafen 5 en 6 zijn tenslotte een aantal problemen genoemd, die zich bij het toepassen van de middelen en de achterliggende methodologie voordoen.

Een deel van de gesignaleerde beperkingen en problemen hangt mijns inziens samen met het feit dat er wel eens op een manier over het zelfconcept wordt gedacht, die niet meer geheel up-to-date is. In de psychologie heeft zich de afgelopen tijd een ontwikkeling in de opvattingen over het zelfconcept voorgedaan, die naar mijn mening van belang is voor zowel de theorie als de praktijk van de studie- en beroepskeuzevoorlichting.

In de traditionele opvatting is het zelfconcept een eenheid, een "monolithische entiteit". Men ziet het zelfconcept te veel als een vrij stabiele, algemene of gemiddelde kijk die de persoon op zichzelf heeft, voornamelijk bestaande uit een aantal lichamelijke en psychische eigenschappen. Spijkerman spreekt in dit verband van "een mentale structuur, die bestaat uit een expliciet complex van ideeën over de eigen persoon".

De laatste tijd is men deze opvatting gaan zien als "een van de formidabele struikelblokken bij het leggen van het verband tussen het zelfconcept en de besturing van het gedrag" (bijvoorbeeld bij de beroepskeuze T.L.). "Hoe zou deze ruwe, ongedifferentieerde structuur gevoelig genoeg kunnen zijn om de diversiteit van gedrag waaraan het verondersteld is gekoppeld te zijn, te regelen en te weerspiegelen?" (Markus en Wurf, 1987, p.301, vrij vertaald). "De laatste tijd" moet men hier overigens ruim zien. Gergen bijvoorbeeld schreef in 1968 al dat de opvatting dat een persoon een consistent en stabiel beeld van zichzelf heeft gewijzigd moet worden.

De nieuwere opvatting over het zelfconcept vindt men behalve bij Markus en Wurf nog bij diverse andere auteurs (bijvoorbeeld Rosenberg en Gara en Cantor en Kihlstrom). Het zelfconcept is hierin een actieve, dynamische "structuur" met veel dimensies of facetten. Men spreekt van een "familie van zelven" of ook wel van "pluizige ('fuzzy')hiërarchieën" of "verwarde webben".

Wat voor zelven (elk met een eigen zelfconcept) maken zoal deel uit van de familie? In de eerste plaats kan men spreken van een contextuele dimensie. In de ene context is een ander zelf aan het werk dan in een andere context. Het zelf in het beroep is bijvoorbeeld heel anders dan het zelf in het gezin. Beide kunnen weer onderverdeeld worden. Enkele voorbeelden in het geval van een beroepskeuzeadviseur: het zelf achter het stuur op weg naar een school, zelf voor de klas, in de docentenkamer, in de rol van counseler, het zelf in de teamvergadering op het bureau, het zelf in contact met de administratie, tijdens de koffiepauze,

als stagebegeleider, enz. enz. Het zelf voor de klas is weer te onderscheiden, want in het begin van het jaar is het heel anders dan op het eind, in de ene klas of groep voelt en doet men heel anders dan in de ander, de ene les is de andere les niet, etc. Ook thuis: zelf aan het ontbijt is anders dan zelf bij het avondeten, zelf als echtgenoot is anders dan zelf als ouder.

De per context andere zelven doen sterk denken aan het rolbegrip. Men is het erover eens dat het ene zelf centraler is (dat wil zeggen representatiever, belangrijker of omvangrijker) dan het andere. Bijvoorbeeld "zelf in het beroep" is voor veel mensen een centraal zelf, "zelf als buurman" daarentegen meer perifeer. Volgens de genoemde auteurs is er echter geen sprake van een "kernzelf" of "eigenlijk zelf" of iets dergelijks. Wat dat betreft stemmen ze overeen met de hiervoor genoemde opvattingen van Kouwer en De Wolf over de persoonlijkheid als ui. Vergelijk ook Van Maanen (1979, p.96): "...we are free ... to become whatever we can convince others we have become."

Naast de contextuele kan men tevens een temporele dimensie onderscheiden. Men spreekt van vroegere, tegenwoordige en mogelijke zelven. De vroegere zelven zijn bijvoorbeeld zelf op de kleuterschool, zelf als het kleinere broertje, zelf als keetschopper in de tweede, zelf als uitblinker in wiskunde, enz. Verschillende van de genoemde auteurs wijzen erop dat iemands web van zelf-concepten nauw verweven is met wat men over z'n tot nu toe geleide leven kan vertellen3. Men is in zekere zin nog steeds de persoon die men was.

Wellicht het meest interessant in het kader van de studie-/beroepskeuzebegeleiding zijn de "mogelijke zelven". Hiermee worden representaties bedoeld van wat men zou kunnen worden, wat men graag zou willen worden en wat men bang is te worden. Men stelt zich bijvoorbeeld hoopvol voor als succesvol zelf, creatief zelf, sportief zelf, bewonderd zelf en met vrees stelt men zich voor als alleen zelf, incompetent zelf, alcoholistisch zelf, werkloos zelf.

Deels komen de mogelijke zelven voort uit de vroegere zelven van de persoonlijke geschiedenis. Het succesvolle zelf is bijvoorbeeld verbonden aan de herinnering van van het uitblinken bij wiskunde, het alleen zelf aan dat men vroeger bang was van mensen. Voor een ander deel wordt "de poel van mogelijke zelven" gevoed door de beelden en symbolen van de media, door ervaringen in contact met mensen en door de fantasie. Markus en Nurius hebben in de Verenigde Staten reeds enig verkennend onderzoek rond de mogelijke zelven uitgevoerd. Onder meer bleek 65 % uit een steekproef van studenten een groot deel van de tijd of "de hele tijd" aan zichzelf in de toekomst te denken. Zo bleek 43 % zich wel eens voorgesteld te hebben dat ze ooit geestelijk in elkaar zouden storten, 100 % had zich wel eens als gelukkig in de toekomst voorgesteld, 80 % had zich wel eens als goed spreker in het openbaar voorgesteld, 57 % als manipulator van mensen, 45 % als verlamd, enzovoort. Wat betreft beroepen had 56 % zich wel eens als media-persoonlijkheid voorgesteld, 80 % als eigenaar van een onderneming, maar slechts 7 % als concierge en 4 % als gevangenisbewaarder.

Bijzonder aan de mogelijke zelven is, dat ze relatief

los staan van het verleden en de realiteit.4 Verder worden ze zelden of nooit met anderen besproken. De mogelijke zelven lijden een door de buitenwereld onopgemerkt en daardoor enigszins van invloed afgeschermd bestaan, terwijl ze in de familie van zelven toch een zeer belangrijke rol spelen. Wat die belangrijke rol betreft twee voorbeelden van Markus en Nurius. Het eerste voorbeeld betreft een onderzoek naar het al of niet herstellen van mensen die recentelijk een zware crisis in het leven hadden meegemaakt (bijvoorbeeld het verlies van een echtgenoot). Al of niet herstellen bleek niet samen te hangen met het zelfconcept van de betrokken mensen. Op de vraag "Hoe beschrijft u zichzelf?" reageerden beide groepen even negatief ("alleen", "zwak", "machteloos", "vol wrok" etc.). Al of niet herstellen bleek echter wèl samen te hangen met de mogelijke toekomstige zelven van de mensen ("onafhankelijk", "aktief", "vertrouwd" etc. versus "onbelangrijk", "een hartaanval krijgen", "zwak", etc.). Het tweede voorbeeld van de macht van de mogelijke zelven is dat mensen die zich voorgesteld hadden dat ze kabeltelevisie hadden, veel vaker abonnee werden dan mensen die gewoon naar een overtuigende reclame over de voordelen van kabeltelevisie geluisterd hadden!

Hoe moet men zich nu het web van zelfconcepten voorstellen? Hier volgen drie suggesties.

In de eerste plaats: het web is nog veel onoverzichtelijker dan hierboven met de indeling langs de contextuele en temporele dimensie is gesuggereerd. Talloze andere indelingen zijn mogelijk. Bovendien doorkruisen sommige zelven de gemaakte indelingen. Men denke bijvoorbeeld aan de emotionele zelven, zoals het "boze zelf", dat in allerlei tijden en contexten naar voren kan komen. Een ander voorbeeld is "zelf als presteerder"; dat kan zijn in de sport, bij spelletjes, in het werk, zowel in het verleden als in de toekomst, enzovoort. Bovendien bestaan er nog "ooit overwogen zelven", "zou moeten zelven", "waarschijnlijke zelven", "onwaarschijnlijke, maar niet onmogelijke zelven", etc. etc.

In de tweede plaats moet men zich voorstellen dat de honderden of (afhankelijk van de genuanceerdheid waarmee men kijkt) vele duizenden zelfconcepten in een achtergrondgeheugen opgeslagen zijn. Op een willekeurig moment is slechts één zelfconcept "on line". Dit wordt wel "het werkende zelf" genoemd. Het werkende zelf wordt gevoed door de zelfconcepten uit het achtergrondgeheugen en door prikkels uit de omgeving. Iemand krijgt bijvoorbeeld een compliment, daardoor worden de zelfconcepten "vroeger uitblinker bij wiskunde", "bewonderde zelf" en "succesvol in de toekomst" geactiveerd en op een zelfbeoordelingsvragenlijst vult die persoon in, dat hij zich eerder competent dan incompetent acht.

In de derde plaats kan men denken aan het onderscheid dat wel gemaakt wordt tussen twee soorten geheugens, namelijk het "semantisch" geheugen (informatie opgeslagen in taal) en het "episodisch" geheugen (herinneringen in de vorm van beelden). Ik kan de woorden denken: "ik ben gister naar de tandarts geweest"; ik kan ook een bepaalde scène met mijn geestesoog (terug)zien. De diverse zelfconcepten moet men zich voor een groot deel "episodisch" en zeker niet alleen "semantisch" voorstellen. Men denkt niet

alleen de woorden "ik was wel eens een keetschopper in de tweede klas", maar men heeft er bepaalde, min of meer gedetailleerde beelden van complete situaties bij. Men denkt niet (alleen) "ik wil later rijk worden", maar men ziet een "zelf met glas in de hand in zon op wit jacht in blauwe zee".

Wanneer men zich "het zelfconcept" aldus voorstelt, wordt een aantal van de vragen en paradoxen rond het zelfconcept, waarover ik in 1984 schreef, minder raadselachtig. Het wordt verklaarbaar waarom iemand zich het ene moment competent en het andere moment incompetent acht. Het wordt minder vreemd dat proefpersonen zich in twee diametraal tegenstrijdige "psychologische rapporten over hun persoonlijkheid" even goed herkennen (zie Kouwer, 1963, pag. 369 e.v.).

Tevens wordt het minder raadselachtig, dat het zelfconcept aan de ene kant zo'n enorme weerstand tegen verandering heeft, terwijl het van de andere kant zo makkelijk beinvloedbaar is. Het "werkende zelf" is namelijk, zoals hierboven is aangegeven, heel makkelijk te beinvloeden. Veel moeilijker is het echter om (substantiële) wijzigingen aan te brengen in het achtergrondgeheugen met zijn wellicht vele duizenden zelfconcepten uit verschillende contexten en tijden. Nog moeilijker (althans volgens Cantor en Kihlstrom) is het om de regels te veranderen volgens welke de associatiepatronen tussen de verschillende zelfconcepten verlopen.

8. Tot slot.

Enkele veronderstellingen waartoe het bovenstaande aanleiding zou kunnen geven, zijn:

- Het zou mogelijk moeten zijn om nog vooruit te

komen, zowel in de praktijk van de zelfconceptverheldering als in de zelfconcept-beroepskeuze-psychologie.

- Wat betreft de praktijk van de zelfconceptverhelde-

ring: deze taak wordt soms misschien te licht opgevat. Wanneer het zelfconcept wordt begrepen, zoals hierboven beschreven, verheldert men het niet eventjes tussendoor.

- Enige aanvulling van het arsenaal van gehanteerde

middelen zou welkom kunnen zijn. Hiertoe volgen, zonder veel commentaar of uitleg, enkele verwijzingen naar voorbeelden van mogelijkheden, gericht op verheldering van het zelfconcept, zoals hierboven opgevat.

(1) "Psychobiografische" methodes. Zoals hierboven is gememoreerd is het zelfconcept van een persoon nauw verbonden met zijn verhaal over z'n leven. Het vertellen of opschrijven hiervan kan dan ook zeer "zelfconceptverhelderend" werken.

Psychobiografische methoden worden bijvoorbeeld gebruikt in de "kursus zelfkennis" van Dijkstra, bij de loopbaanbegeleidingsmethode van het Instituut voor Beroepskeuze- en Loopbaanpsychologie en (in verkorte vorm door middel van het verkennen van enkele levensfragmenten) in de zogenaamde Heimler methode.

Een toegenomen belangstelling voor psychobiografische methoden kan afgeleid worden uit het niet zo lang

geleden speciaal hieraan gewijde themanummer van de Journal of Personality (zie McAdams and Ochber).

(2) Analyse van vroege jeugdherinneringen. Dit kan al dan niet in het kader van (1). Zie bijvoorbeeld Kihlstrom en Harackiewicz, Corsini en Marsella (p.605 e.v.) of Watkins.

(3) Meditatie. Volgens De Wit is meditatie zo'n beetje de enige remedie tegen de in paragraaf 6 behandelde problemen bij de toetsing van zelfkennis. Meditatie betekent gedachten zien i.p.v. in gedachten zijn en hierdoor kan men leren het denken en het ervaren los van elkaar te maken. Men oefent zich het ik, "het focuspunt van een egocentrische (en daardoor vervormde) werkelijkheidsbeleving" los te laten. Zie ook bijvoorbeeld Dijkstra.

(4) Geleide fantasie. Zie bijvoorbeeld Skovholt e.a. Wellicht kan deze techniek onder meer een bijdrage leveren bij het verkennen van de "mogelijke zelven". (5) De "kursus Zelfkennis" van Dijkstra bevat nog andere mogelijke middelen voor zelfconceptverheldering, waarvan de waarde min of meer duidelijk is aangetoond, bijvoorbeeld dagboek bijhouden, lichamelijke expressie, dromen uitspelen, etc.

Bijzondere aandacht bij het verhelderen van het zelfconcept, zoals hierboven opgevat, vereist de integratie van de verschillende, al dan niet tegenstrijdige zelfconcepten. Mede vanuit dit doel wordt aan het I.B.L.P. gewerkt aan de ontwikkeling van een "thema"methodiek. Met het begrip thema wordt gedoeld op een verbindende "rode draad" in het geleide leven. Het vinden en verwoorden daarvan verheldert en kan richting geven aan en energie voor verdere ontwikkeling.

Wat betreft de zelfconcept-beroepskeuze-psychologie zou het interessant zijn om het bijgestelde zelfconcept begrip nader uit te werken en te toetsen. Een mogelijkheid hiertoe biedt bijvoorbeeld de methode waarmee Rosenberg en Gara het web van zelfconcepten in kaart brengen. Deze methode, die door De Boeck het zelfbelevingsonderzoek wordt genoemd, is verwant aan de gridtechnieken van bijvoorbeeld Kelly en Hermans en komt neer op:

(1) Het maken van een lijst zelfconcepten of, zoals Rosenberg en Gara het noemen, "identiteiten". Bij een zekere Frans, een man van middelbare leeftijd, komt De Boeck met deze methode onder meer op "ik ten opzicht van mijn vader", "ik die de rest van de wereld wil zien", "ik als doorzetter", "ik met mijn hotel vroeger", "ik die opvliegend ben", en "ik die rechtvaardigheid nastreeef".

(2) Het maken van een bij de betreffende persoon passende lijst eigenschappen of "belevingskenmerken"; in het geval van Frans: los, nieuwsgierig, klein, dankbaar, ongewenst, etcetera.

(3) Het beoordelen door de persoon van de mate waarin de eigenschappen van toepassing zijn op de zelfconcepten.

(4) Het toepassen van een bepaald, vrij geavanceerd rekenprogramma (een zogenaamde hiërarchische clusteranalyse). Dit levert tenslotte een plaatje op van het web van zelfconcepten, dat laat zien hoe de verschillende (groepen) zelfconcepten en belevingskenmerken met elkaar in verband staan. Bij Frans blijkt bijvoorbeeld dat "ik ten opzichte van mijn moeder" en "ik ten opzichte van mijn ex-vrouw" bij elkaar horen en dat deze zelfconcepten op hun beurt zijn verbonden met

het groepje belevingskenmerken "los, creatief, plezant, avontuurlijk en nieuwsgierig".

Rosenberg en Gara zelf hebben deze methode met succes toegepast op interview-gegevens en op een autobiografische roman. De Boeck beschrijft naast bovenstaande nog andere veelbelovende methoden voor "single-case" statistiek.

Interessant en relevant lijkt mij tot slot het onderzoeken van de "mogelijke zelven" in relatie tot de beroepskeuze. Deze mogelijke zelven komen, zoals in de vorige paragraaf is aangegeven, voort uit de realiteit en uit de (sub)cultuur, maar zijn hieraan niet gebonden. Tegelijkertijd spelen zij een belangrijke rol. Om deze redenen zou men kunnen veronderstellen dat hier sprake is van een belemmerende factor in het geval van veel allochtonen, vrouwen en langdurig werklozen, die wellicht is op te heffen of zelfs is om te zetten in een bevorderende factor.

A. Geraadpleegde literatuur.

- Beekman, R. De rol van de ethiek bij het beroepskeu-

zeproces: een diepte-psychologische bijdrage aan de beroepskeuzetheorie. Beroepskeuze, 29 (1982), p.114119.

- Boeck, P. de. Psychologie van het Individu. Univer-

sitaire Pers, Leuven; Van Gorcum, Assen, 1988.

- Brown, D., Brooks, L. and Associates. Career Choice

and Development; Applying Contemporary Theories to Practice. Jossey-Bass, San Fransisco, 1984.

- Cantor, N. en Kihlstrom, J.F. Personality and Social

Intelligence. Prentice-Hall, Englewood Cliffs, 1987. - Combs, A.W., Avila, D.L. en Purkey, W.W. Hulpverle-

ning en Psychologie. Basisboeken, Ambo, Baarn, 1977. - Corsini R.J., Marsella, A.J. e.a. Personality Theo-

ries, Research and Assessment. F.E. Peacock publ., Itasca (Illinois), 1983.

- Dijkstra, C. De kursus zelfkennis. Academisch

proefschrift UvA, Swets & Zeitlinger, Lisse, 1984.

- Fischer, Agneta. Zelfschema's; schijn of werkelijk-

heid? De Psycholoog, 22 (1987), p.439-446)

- Garcia, J. The logic and limits of mental aptitude

testing. American Psychologist, 36 (1981), p.11721180.

- Goldfried, M.R. and Robins, C. Self-Schema, Cogni-

tive Bias, and the Processing of Therapeutic Experiences. In: Advances in Cognitive Behavioral Research, deel II, onder red. van P.C.Kendall. Academic Press, New York, 1983.

- Greenwald, A.G. The Totalitarian Ego; Fabrication

and revision of personal history. American Psycholo-

gist. Vol. 35 (1980), p.603-618.

- Groot, A.D. de. Methodologie, Mouton & Co. 's-

Gravenhage, 1975 (8-ste druk).

- Helbing, J.C. The self in career development;

theory, measurement and counseling. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam (in eigen beheer uitgegeven), 1987.

- Jourard, S.M. Zelfkennis als Kracht, openhartigheid

als steun in de relatie tot de cliënt. Lemniscaat, Rotterdam, 1975.

- Kihlstrom, J.F. en Harackiewiscz, J.M. The earliest

recollection: A new survey. Journal of Personality,

Vol. 50 (1982), p.134-148.

- Kouwer, B.J. Het spel van de persoonlijkheid. Bijle-

veld, Utrecht, 1963.

- Lindsay, P.H. and Norman, D.A. Human Information

Processing. Academic Press, New York/ London, 1972. - Luken, T. Vraagtekens bij de formule:

"Zelfconceptverheldering plus Horizonverruiming geeft Beroepskeuze". Beroepskeuze, 31 (1984), p.4460.

- Maanen, J.van. The Self, the Situation, and the

Rules of Interpersonal Relations. In: Essays in

Interpersonal Dynamics onder red. v. Bennis, W. e.a. P. 43-101. Dorsey Press, Homewood (Illinois), 1979.

- Markus, H. en Nurius, P. Possible Selves. American

Psychologist. Vol. 41 (1986), p.954-969.

- Markus, H. en Wurf, E. The Dynamic Self-Concept; a

Social Psychological Perspective. Annual Review of Psychology. Vol. 38 (1987), onder redactie van H.R.Rosenszweig e.a. P.299-337.

- McAdams, D.P. and Ochberg (eds.). Psychobiogrphy and

Life Narratives. Special issue Journal of Personality, Vol. 56 (1988), nr.1.

- Minsky, Marvin. Het denken; de menselijke geest als

maatschappij. Bert Bakker, Amsterdam, 1988.

- Munning, F.H. Zelfbeleving en psycho-sociale compe-

tentie. Academisch proefschrift, Erasmus Universiteit Rotterdam, Swets & Zeitlinger, Lisse, 1986.

- Osipow, S.H. Theories of Career Development. Pren-

tice Hall, Englewood Cliffs, 1973 (sec. ed.)

- Parsons, F. Choosing a Vocation. Agathon Press, New

York, 1967. (Oorspr. uitg. 1909)

- Pere, H.M. Tussen arbeidsmarkt en individueel wel-

zijn; een historische analyse van de beroepskeuzevoorlichting in Nederland vanuit beroepensociologisch perspektief. Educaboek, Culemborg, 1986.

- Rosenberg, S.M. en Gara, M.A. The Multiplicity of

Personal Identity. In Self, Situations, and Social Behavior. Review of Personality and Social Psychology, Vol. 6 onder redactie van P. Shaver. Sage, Beverly Hills, 1985.

- Skovholt, T.M. e.a. Mental Imagery in Career Counse-

ling and Life Planning: a Review of Research an Intervention Methods. Journal of Counseling and Development, Vol.67 (1989), p.287-292.

- Spijkerman, R.H.M. Studie- en beroepskeuze. Achter-

gronden en theorieën voor de praktijk van de dienstverlening bij studie- en beroepskeuze. Samson H.D. Tjeenk Willink, Alphen a/d Rijn, 1989.

- Swann, W.B. and Read, S.J. Acquiring Self-Knowledge:

The Search for Feedback That Fits. Journal of Personality and Social Psychology, 41 (1981), p.11191128.

- Taborsky, O. en De Grauw, M.C.A. Beroepskeuze. De

Toorts, Haarlem, 1974.

- Taborsky, O. Verheldering rond zelfconceptverhelde-

ring (reaktie op artikel van Tom Luken). Beroepskeuze, 31 (1984), p.92-94.

- Taborsky, O. Zelfconcept, zelfconceptverheldering en

realiteitszin. Handboek Leerlingbegeleiding. Samsom, Alphen aan den Rijn, 1987, p.2220-1 t. 2220-17.

- Vroon, Pieter. Intelligentie. Ambo, Baarn, 1980.

- Watkins, C.E.jr. Using Early Recollections in Career

Counseling. The Vocational Guidance Quarterly, 1984, p.271-276.

- Werff, J.J. van der. Identiteitsproblemen; zelfbe-

schouwing in de psychologie. Coutinho, Muiderberg,

1985.

- Wiegersma, S. Gezocht: een opvolger voor Parsons. In

Psychologie in 1975, onder redactie van H. Gosker e.a., Tjeenk Willink, Groningen, 1975.

- Wit, Han de. Contemplatieve psychologie. Kok Agora,

Kampen, 1987.

- Wolf, Thijs de. Persoonlijkheid, Realiteit of Inter-

pretatie. Coutinho, Muiderberg, 1978.

B. Aanbevolen literatuur.

** Dijkstra (1984). Beschrijft gestructureerde en in

principe leiderloze cursus zelfkennis. De theoretische achtergrond en de inhoud van de oefeningen en opdrachten worden uitgebreid beschreven, alsmede de ervaringen ermee en resultaten ervan.

*** Greenwald (1980). Goed overzichtsartikel over o.m. de wijze waarop het "ego" (in ongeveer dezelfde betekenis als het "zelfconcept") zowel nieuwe als oude informatie manipuleert en vervormt.

** Kouwer (1963). Speurtocht met literaire kwalitei-

ten naar de kern van de persoonlijkheid. Erudiet en boeiend.

*** Markus en Nurius (1986). Gaan uitgebreid in op een van de (in het kader van beroepskeuze) interesantste categorieën in de familie zelven, nl. de "mogelijke zelven". Ook korte beschrijving van hoe men zich het "werkende zelf" voor kan stellen.

*** Munning (1986). Inleidende hoofdstukken geven beknopt maar compleet en goed gedocumenteerd overzicht van theorieën over zelfbeleving en zelfwaardering.

* Taborsky (1987). Hoewel ik het niet met alles

eens ben (zie par. 6) van harte aanbevolen: een helder, vlot geschreven en zeer informatief stuk met veel zeer bruikbare suggesties.

** Van der Werff (1985). Systematische beschrijving

van de problemen die zich in het (wetenschappelijke) denken over het zelf voordoen. Wel nogal theoretisch en soms wat cynisch.

*** De Wit (1987). Hoofdstuk 3 van dit boek bevat een niet gemakkelijke, maar wel interessante en diepgaande beschouwing over de methodologische problemen bij het leren kennen van onszelf.